Nieuwe benadering van niet-westerse pleegouders

Auteur: Antoinette van Wijngaarden  

Pleegzorginstellingen vinden het belangrijk dat kinderen opgroeien in een voor hen bekende omgeving.
Bij familie, bekenden of in elk geval bij mensen met een vergelijkbare achtergrond. De laatste jaren meldt jeugdzorg steeds meer kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst aan voor pleegzorg. Het blijkt voor de meeste instellingen moeilijk om pleeggezinnen met een niet-westerse achtergrond te werven en vast te houden. Oosterpoort uit Oss (1) wilde hierin eindelijk eens structureel verandering brengen.

Zes studenten van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen kregen de opdracht om een methodiek te ontwikkelen, die een werkwijze biedt om niet-westerse gezinnen te werven, te selecteren en te behouden voor de taak van bestandspleegouder.

De studenten, een geboren Neder­lander en vijf collega’s afkomstig uit Azerbeidzjan, Turkije, Marokko en Afghanistan, leverden twee producten. Een handleiding voor de werving en een werkmodel om pleeggezinnen te selecteren en te behouden.

Interculturele communicatie is hierbij een kernbegrip. Mobiel sprak met Zaed Nurin, een van de studenten en binnen Oosterpoort adviseur op dit gebied en pleegzorgbegeleider.

Werving via sleutelfiguren

“Het is moeilijk om niet-westerlingen te werven als pleegouder. Een advertentie zetten of folders uitdelen heeft weinig zin. Die worden niet of nauwelijks gelezen. Bovendien worden instanties vaak gewantrouwd. Vooral als ze onbekend zijn, zoals pleegzorg. Daar houdt men zich liever verre van. Je moet de mensen dus persoonlijk benaderen. Maar wie moet je benaderen en hoe?

In Midden-Brabant is Kompaan, de instelling voor pleegzorg al langer bezig om niet-westerse pleegouders te werven. Zij zochten contact met mensen met gezag en aanzien binnen de diverse gemeenschappen om te helpen bij de werving. Ook in Oss zijn we op zoek gegaan naar zulke sleutelfiguren, mensen die soms letterlijk deuren voor ons openen. Om deze figuren te vinden, ontwikkelden we een stappenplan. Eerst moet uit­gezocht worden waar de doelgroep geconcentreerd is. Daarna wordt gezocht naar de aanwezige inter­culturele instellingen, waar zich mogelijke sleutelfiguren bevinden. Dit zijn bijvoorbeeld buurthuizen, vrouwencentra, culturele verenigingen, ouderenraden of de gemeenteraad. Deze informatie is veelal te vinden op internet, maar wij gebruikten ook onze eigen contacten.

Zo begeleidde ik een Turkse jongen en ik heb hem gevraagd, wie ik het beste kon benaderen. Via de ene sleutelfiguur ontmoet je vaak een volgende. We hebben nu contacten met vijftien sleutelfiguren, niet alleen uit de Turkse en Marokkaanse gemeenschap, maar bijvoorbeeld ook uit de Pakistaanse en Afghaanse. Wij hebben hen uitgebreid voorgelicht over pleegzorg en hun medewerking gevraagd bij het werven van pleeg­ouders. Sommigen van hen zijn zelf pleegouder geworden. Een beter voorbeeld kunnen we ons niet wensen.

Kindgericht werven

Als Oosterpoort een aanvraag binnenkrijgt voor een pleeggezin voor bijvoorbeeld een Marokkaans meisje, dan stelt de matcher een zo uitgebreid mogelijk profiel op van dit meisje. Met dit profiel gaan we naar onze Marokkaanse contactpersoon om te overleggen hoe en waar we het beste een pleeggezin voor haar kunnen vinden. Het kan zijn dat we vervolgens een voorlichtingsbijeenkomst organiseren in een Marokkaans eethuis. Soms benadert de sleutelfiguur zelf een paar gezinnen en draagt die aan ons voor. Samen beslissen we welke weg in dit geval de beste is. Dit is wat je noemt, werken op maat. We werven meestal kindgericht, maar soms niet. Zo ben ik zelf een keer door een sleutelfiguur tijdens het suikerfeest geïntroduceerd bij een groep Afghanen. Ik kreeg tien minuten om uit te leggen wat pleegzorg is. Tijdens het suikerfeest krijgen de kinderen snoepjes. Ik vertelde dat er in Nederland ook kinderen zijn die geen snoepjes krijgen. Die nog veel meer moeten missen. Dat zij opgroeien in een omgeving waarvan de taal hen vreemd is, de geuren hen onbekend zijn, waarvan alles vreemd is. Ik heb hen gevraagd om, als ze een hart hadden voor deze kinderen, contact op te nemen. Drie gezinnen hebben gereageerd.”

STAP-training op maat

Na een aanmelding volgt, zoals bij elke aspirant-pleegouder, de selectieprocedure. De STAP-training wordt individueel gegeven. Nurin en zijn medestudenten onderzochten de vijf selectiecriteria van de STAP-training voor pleegouders intercultureel en ontwikkelden een uitgebreide handleiding voor pleegzorgwerkers: ‘Pleegzorg in Kleur’.

De vijf criteria zijn:
•    openheid en duidelijkheid
•    samenwerken als team en het delen van ouderschap
•    kinderen helpen een positieve kijk op zichzelf te ontwikkelen
•    hen helpen hun gedrag te veranderen zonder hen pijn te doen
•    het inschatten van de uitwerking die het pleegouderschap op de eigen situatie heeft

Dit zijn de basiswaarden voor het pleegouderschap. Cultuurverschillen zorgen voor een andere beleving van deze waarden door niet-westerse aspirant-pleegouders. In de handleiding wordt aangegeven wat de medewerker van de pleegzorginstelling tijdens de communicatie met deze aspirant-pleegouders kan doen om miscommunicatie te voorkomen. Het model is gebaseerd op het TOPOI-model van Hoffman (2), dat handvatten biedt om in de gespreksvoering met mensen met een andere etnische en maatschappelijke achtergrond, culturele verschillen en misverstanden op te sporen en aan te pakken.

Handleiding voor pleegzorgwerker

De handleiding legt bij de vijf criteria uit waar knelpunten in de communicatie kunnen liggen, hoe de pleegzorgwerker knelpunten boven water kan krijgen en hoe ze op te lossen zijn. Bij de handleiding horen vijf gekleurde kaartjes, een kleur per criterium. Deze kaartjes passen letterlijk in de achterzak van de medewerker, zodat deze ze tijdens het gesprek kan raadplegen.
Op elk kaartje staan een afbeelding en een spreekwoord die het criterium symboliseren. Voor de pleegouder staat er de betekenis van het criterium in de pleegzorg. Voor de pleegzorgmedewerker staan er ook enkele hypothesen op over mogelijke redenen voor miscommunicatie over het selectiecriterium. Per hypothese worden diverse interventiemogelijkheden genoemd om die hypothese te toetsen en daarmee de communicatie te verhelderen.
Hoe werken de kaartjes?

Als voorbeeld het selectiecriterium ‘samenwerken als team en het delen van ouderschap’. Dit criterium wordt geïllustreerd door het Turkse spreekwoord ‘één hand geeft niets, twee handen geven geluid’ (bir elin nesi var iki elin sesi var). Oftewel, met zijn tweeën kun je meer dan alleen.

Betekenis van dit criterium in de pleegzorg

Pleegouders delen de zorg en de planning rondom hun pleegkinderen met de pleegzorginstelling. Pleegouders delen het ouderschap met de ouders en de familie van het kind. Pleegouders zijn in staat als een team samen te werken.

Wat kan de pleegzorgwerker zich afvragen?

Is het voor deze mensen vanzelf­sprekend met instanties te werken? Wat zijn de verwachtingen over de hulpverlening? Bestaat er wederzijds vertrouwen? Heb ik duidelijk gemaakt wat van de pleegouders wordt verwacht? Heb ik duidelijk gemaakt wat de pleegouder van mij mag verwachten? Wat verstaan de pleegouders onder ouderschap? Wie heeft de beslissingsbevoegdheid? Zijn er ook anderen, zoals grootouders of ooms en tantes, verantwoordelijk voor de opvoeding? Welke invloed heeft de man-vrouw relatie? Hoe denken de pleegouders over samenwerking met de ouders?

Wat kan de pleegzorgwerker doen?

Basisvoorwaarde voor een geslaagde communicatie is dat de pleegzorg­werker werkelijk open staat en intens betrokken is bij de ander. Generaliseren is uit den boze. De pleegzorgwerker moet durven doorvragen als zaken nog niet helder zijn.

Vertrouwen en respect

Basis voor een goede samenwerking is vertrouwen. Nurin raadt daarom aan om eerst het vertrouwen van de aspirantpleegouders te winnen.
“Dit kan bijvoorbeeld door te helpen bij klusjes, zoals het vertalen van een brief of het voeren van een telefoongesprek. Het is daarnaast van belang goed uit te leggen hoe de pleegzorginstelling met vertrouwelijke informatie omgaat. Benadruk dat hetgeen er besproken wordt tussen pleegouders en pleegzorgwerker geheim blijft.”

Om helder te krijgen wie er verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van de (pleeg)kinderen, kan samen met de pleegouders een genogram (3) opgesteld worden. Voor de omgang met de ouders is wederzijds respect belangrijk. Dat de ouders niet in staat zijn hun kinderen op te voeden, vervult hen met schaamte. Ze zijn bang dat er binnen de gemeenschap slecht over hen gesproken wordt.
Pleegouders moeten er op gewezen worden dat zij hier boven moeten staan. In de niet-westerse cultuur is het respect voor zwakkeren sterk. Als pleegouders de ouders tot de zwakkeren rekenen, zullen zij hen respectvol benaderen. Nee-zeggen is iets wat binnen een groot aantal culturen als onbeleefd wordt gezien. Pleegouders moeten dit echter wel kunnen, bijvoorbeeld als de ouders proberen om buiten de instelling om de bezoekregeling op te rekken.

Nurin adviseert de pleegouders in zulke zaken altijd te denken aan het belang van het kind. Dit belang is wettelijk bepaald door Bureau Jeugdzorg. Daar mogen de pleegouders niet aan tornen. Binnen de samenwerking moet tenslotte het maken van afspraken aan de orde gesteld worden. Veel niet-westerlingen zijn niet gewend om met een agenda te werken. Vaste afspraken worden als belemmerend ervaren. Het belang van afspraken voor een goede samenwerking moet duidelijk gemaakt worden. Nurin komt met een suggestie. Het zou vanuit de instelling een leuke attentie zijn om niet-westerse pleegouders een agenda cadeau te doen. •

(1) Oosterpoort is de regionale jeugdzorgorganisatie in Noordoost-Brabant, de voorziening voor pleegzorg is hier een onderdeel van.
(2) TOPOI staat voor Taal, Ordening, Personen, Organisatie en Inzet. Het model wordt beschreven in: Interculturele Gespreksvoering door E. Hoffman, Uitgeverij Bohn Stafleu van Loghum, ISBN 9031333050, € 34,00.
(3) Een genogram is een schematische weergave van een gezin of familiesysteem.


Tags: ,