Achttien jaar, hoera of ojee?

Auteurs: Marion Kruis en Jolanda Stellingwerff  

Het thema ‘Achttien jaar, hoera of ojee?’ uit Mobiel 6, 2006, ging vooral over praktische veranderingen.
In dit nummer gaan we dieper in op de vraag: hoera of ojee. Hoe is het om als pleegkind achttien te worden? Blij dat je pleegzorg achter je laat? Hoe is het voor een pleegouder, eindelijk rust in de tent of angst voor de toekomst? En voor de ouders, jarenlang werd alles geregeld en opeens moet je kind zelf kiezen. Drie betrokkenen vertellen hoe zij deze verandering ervoeren.

Het voelt hetzelfde

Esther werd in december achttien. Vanaf haar tweede woonde ze in een pleeggezin. Voor haar gevoel verandert er weinig, het zijn vooral de zakelijke dingen die anders zijn.

“Ik vind het een leuke leeftijd en word nu een beetje volwassen. Ik mag leren autorijden en ik moet vaker zelf beslissingen nemen. Denk ik nu drie keer na voordat ik iets doe, omdat ik zelf aansprakelijk ben? Nee, eigenlijk niet, maar ik ben meerderjarig en dat klinkt toch wel interessant. Daarbij komt nog dat ik geen pleegkind meer ben. Vreemd eigenlijk, want ik voel het nog wel zo. Ik kan toch niet van de ene op de andere dag geen pleegkind meer zijn? Ik woon nog steeds bij mijn pleegouders en pleegzusjes en ben toch nog steeds een kind.

Ook naar de situatie met mijn biologische ouders kijk ik niet anders. Voor mij blijft het allemaal hetzelfde. Officieel is het wel veranderd. Een week na mijn verjaardag kwam de pleegzorgwerker afscheid nemen en ik heb nu ook geen voogd meer. Ook dit verschilt niet veel, want ik beschouwde mijn pleegouders eigenlijk als voogd. Verzekeringen en studiekosten vind ik wel veel gedoe. Dat zijn dingen die ik nog niet goed snap, dus helpt mijn pleegvader me daarbij. Hij heeft heel veel voor me geregeld en verteld wat ik zelf moet doen. Ik heb er niks van gemerkt dat ik nu anders verzekerd ben. Alleen dat ik heel vaak post krijg, maar dat schuif ik dan weer door naar mijn vader. Ik heb afgesproken met papa dat we binnenkort weer eens om de tafel gaan zitten en hij me alles uitlegt over die verzekeringen en studiekosten. Ik moet het toch leren zelf te begrijpen, want ik wil graag op kamers en dan komt het op mij aan. Weer een stukje zelfstandigheid.”

We hebben het gered

Inge is de pleegmoeder van Emiel. Als driejarige peuter kwam hij in
haar gezin.
“Zijn achttiende verjaardag hebben we uitgebreid gevierd. Ook zijn eigen familie is geweest. De dag erna was het stil en gingen er veel gedachten door mijn hoofd. Ze gingen terug door de vijftien moeilijke jaren die hij bij ons woonde. Vanaf het eerste weekend dat hij kwam wennen, ging er een storm door het huis. Wij waren overmoedig. Een hechtingsprobleem? Bij ons niet, dat kwam wel goed. Wat heb ik vaak teruggedacht aan die zelfverzekerdheid. Hoe konden we er zo over denken? Ik was vaak bang dat we het niet zouden redden met Emiel. Ik weet van allerlei vakanties en uitjes precies de plekjes waar het fout ging, de momenten waarop er weer ruzie was en waarom we vreselijk boos waren. Toch hebben we het gered tot hier, hij heeft het niet opgegeven en wij zagen om de beurt weer een houvast, zodat we elkaar op konden krikken. Zijn pleegbroers nemen hem niet meer serieus, maar misschien trekt dat bij als ze elkaar minder vaak zien.

Een mooi moment dat ik nooit vergeet, was hoe ik hem mocht verzorgen toen hij erg ziek was. Eindelijk liet hij me toe, mocht ik dichterbij komen. Maanden later zei hij, toen we het er eens over hadden: ‘Toèn was je lief, mam!’. Ik heb het ook altijd heel fijn gevonden dat hij buiten ons gezin zo gewaardeerd werd: op school, bij vrienden thuis, bij de voetbal, in bijbaantjes. Tegelijk vond ik het jammer dat wij hem zelden zo zagen, maar hij had daardoor wel veel kansen. Nu is hij achttien en geen pleegkind meer. Geen begeleiding meer vanuit pleegzorg en hij wil ook graag de psychotherapie afsluiten. De psychiater vindt het goed en is trots dat hij zo ver gekomen is. Binnenkort gaat hij, in de buurt, op kamers wonen. Als hij dat wil, kan hij nog op ons leunen. Het is ook een opluchting, er verdwijnt veel spanning uit huis en heel eerlijk gezegd zijn we daar wel aan toe.”

Structuur is nog nodig

Helen kreeg zes jaar geleden een hersenbloeding. Haar kinderen Michel en Rebecca woonden daarna in een gezinsvervangend tehuis en vervolgens in een pleeggezin. Vorig jaar werd Michel achttien.

“Ik was er vooraf veel mee bezig. In gedachten, maar ook samen met hem. We bespraken wat hij graag zou willen, wat wel en niet mogelijk was. De periode voor zijn verjaardag was vol onzekerheid. Michel had zich aangemeld voor militaire dienst, maar de uitslag van de keuring werd uitgesteld. Michel wilde niet bij zijn pleegouders blijven, hoewel hij mocht blijven. Hij had het er goed, maar wilde graag zelfstandig worden. Het bericht van het uitstel kwam tijdens zijn vakantie. Het aan zijn pleegouders vertellen, kon ik nog niet, ik wilde wachten tot hij terug was. Ook was ik bang dat de pleeg­ouders gekwetst zouden zijn.

Michel is uiteindelijk goedgekeurd. Tot hij in dienst treedt, woont hij bij vrienden van mij. Op kamers gaan is voor zo’n korte periode erg omslachtig. Het pleeggezin was eerst verbaasd, maar ze vinden het nu prima. Het is een fijne oplossing. Als een kind achttien wordt, is het volwassen, maar heeft het toch nog begeleiding nodig. Ik ben niet zo blij met het stopzetten van pleegzorg. Er zou voor pleegkinderen eigenlijk een soort begeleid woonproject moeten zijn of iets anders om hen te begeleiden. Er ligt voor hen meer nadruk op het zelfstandig worden dan bij andere jongeren. Vooraf kreeg Michel een soort kamertraining in het pleeggezin. Ik geloof dat hij een paar keer gekookt heeft, dat was alles. Ik ben blij dat hij in het leger de nodige structuur krijgt.

Als Rebecca achttien wordt, begin ik er eerder over. Ik wil duidelijke afspraken maken. Ik weet nu hoe groot de rol van emotie is. Ik kan met hen praten, maar niet alles sturen. Als alleenstaande moeder is dat frustrerend. Omdat ik veel langzamer ben dan zij, zijn discussies moeilijk. Ook met de pleegouders pak ik het anders aan. Meer open zijn naar elkaar. Liever iets zeggen dat hard aankomt, dan iets niet zeggen, dat heb ik wel geleerd.”


Tags: ,