Themabijlage: Wegwijzer 18+. Verlengde hulpverlening

Afronding pleegzorg of verlenging

Vanaf de zeventiende verjaardag van het pleegkind moeten er financiële en inhoudelijke activiteiten worden ondernomen. Ten eerste moet besloten worden of de afronding van de pleegzorg in gang gezet moet worden. Er kunnen redenen zijn om de hulpverlening ook na het achttiende jaar te laten doorlopen. Het pleegkind is dan wel volwassen en moet zelf vragen om verlengde hulpverlening. Het wordt dan vrijwillige hulpverlening.

De verlenging kan worden verleend voor de termijn van de aanspraak, die in het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg is vastgelegd. Er moet wel noodzaak tot pleegzorg zijn en het mag niet een louter financiële kwestie zijn. De indicatie moet aan­gevraagd worden voordat de jeugdige achttien wordt. De verlenging kan uiterlijk duren tot de 23e verjaardag van het kind. Als de pleegzorg stopt, kan er voor begeleiding van het pleegkind of pleeggezin soms ook een beroep worden gedaan op maatschappelijk werk. Bij sommige pleegkinderen kan er wellicht via het PGB (persoonsgebonden budget) begeleiding worden geregeld.  •
“Bij onze pleegzoon bleek dat de pleegvergoeding op de dag dat hij achttien werd opeens stopte en er verder financieel niets geregeld was.”

Rechten en plichten

Onderhoudsplicht van ouders
Ouders zijn in principe onderhoudsplichtig tot de 21e verjaardag van hun kind. Als de minderjarige achttien wordt, vervalt de ots of de voogdij van de instelling of de één-pleegouder-voogdij en zijn de ouders weer onderhoudsplichtig. Dit betekent dat het kind hen kan aanspreken op de onderhoudsplicht tot het 21e jaar (zelfs nog daarna als het kind behoeftig is). Als de voogdij bij één van de pleeg­ouders berustte, waren deze voor het achttiende jaar niet onderhouds­plichtig en daarna dus ook niet.

Het is zinvol om dit onderwerp zeker ook met de eigen ouders te (laten) bespreken ruim voor de jongere achttien is.

Rechten
Iemand die achttien wordt, is meerderjarig en wordt geacht zijn eigen zaken te kunnen regelen en voor zijn eigen financiën te kunnen zorgen. Het achttienjarige pleegkind mag zelf bepalen of het nog contact wil met ouders en beslist zelf of het nog naar school gaat. Voor sommigen is deze verantwoordelijkheid een hele opgave. Jongeren die dit soort handelingen echt niet kunnen overzien, dienen beschermd te worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor verstandelijk gehandicapten of mensen met een psychiatrisch ziektebeeld. Hierover verderop meer. Meerderjarige pleeg­kinderen krijgen vanzelfsprekend ook stemrecht. Ook om deze reden is het van belang dat het pleegkind staat ingeschreven op het adres waar het woont. Dan krijgt het vanzelf een stempas toegestuurd.

Aansprakelijkheid
Hoofdregel is dat ouders en voogden (voogdij-instellingen) aansprakelijk zijn voor hun kinderen, dus ook voor het betalen van door hen aangerichte schade. Voorwaarde voor de aansprakelijkheid van ouders is dat zij met het gezag belast zijn.

Aansprakelijkheid van de ouders of voogd bestaat niet als ten tijde van de gedraging de ouder of voogd bijvoorbeeld onder curatele stond of in de uitoefening van zijn gezag was geschorst. Voor de minderjarige van 16 jaar en ouder geldt dat hij zelf aansprakelijk is voor schade die door hem is veroorzaakt. Pleegouders kunnen alleen aansprakelijk worden gesteld als zij te weinig toezicht hebben gehouden. Hier ligt de bewijslast bij de benadeelde en niet bij de pleegouders. Met achttien jaar worden pleeg­kinderen zelf verantwoordelijk voor hun eigen handelen en zijn dus ook aansprakelijk voor door hen aan­gerichte schade.  •

“Als hij achttien jaar is beslist hij zelf en dan wil onze krullenbol lekker nooit meer verplicht op bezoek.”

Onderhoudsplicht van ouders
Ouders zijn in principe onderhoudsplichtig tot de 21e verjaardag van hun kind. Als de minderjarige achttien wordt, vervalt de ots of de voogdij van de instelling of de één-pleegouder-voogdij en zijn de ouders weer onderhoudsplichtig. Dit betekent dat het kind hen kan aanspreken op de onderhoudsplicht tot het 21e jaar (zelfs nog daarna als het kind behoeftig is). Als de voogdij bij één van de pleeg­ouders berustte, waren deze voor het achttiende jaar niet onderhouds­plichtig en daarna dus ook niet.

Het is zinvol om dit onderwerp zeker ook met de eigen ouders te (laten) bespreken ruim voor de jongere achttien is.•

Leren en studeren

Studiefinanciering
Voor een pleegkind van bijna achttien dat volledig dagonderwijs volgt, moet er studiefinanciering of tegemoet­koming in de studiekosten worden aangevraagd bij de Informatie Beheer Groep in Groningen. Deze uitkeringen gaan voor het WO en HBO in op
1 oktober als het kind nog geen achttien jaar is en voor het MBO op de eerste dag van het kwartaal volgend op de achttiende verjaardag.

Deze uitkeringen moeten minstens drie maanden voordat het pleegkind achttien wordt, worden aangevraagd. Het kind moet een eigen bank- of girorekening hebben.
Studiefinanciering is bestemd voor jongeren die:
–  ‑Wetenschappelijk onderwijs of HBO onderwijs volgen.
–  ‑Tenminste 18 jaar zijn en MBO onderwijs volgen.

Voorwaarde is dat de aanvrager/ student tenminste 19 uur per week overdag naar school gaat naar een, door het ministerie van OCW erkend onderwijs­instituut.

Tegemoetkoming studiekosten 18+
is bestemd voor jeugdigen boven de 18 jaar die:
–  ‑Voortgezet onderwijs volgen (VBO, VMBO, HAVO, VWO).
–  ‑(Voortgezet) speciaal onderwijs volgen.

De uitkering studiefinanciering die een pleegkind ontvangt, bestaat uit een basisbeurs voor uitwonenden (het pleegkind woont immers niet bij zijn eigen ouders) en een aanvullende beurs, waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen van de eigen ouders. De ouders moeten informatie over hun inkomen verstrekken. In bepaalde situaties kan het inkomen van één of beide ouders buiten beschouwing worden gelaten. Zie daarvoor de site van de IB-Groep.  Het kind krijgt ook een OV-kaart voor de week of het weekend. Er is een mogelijkheid om geld bij te lenen.

De tegemoetkoming studiekosten 18+ is lager dan de uitkering studiefinanciering. De tegemoetkoming bestaat uit een basistoelage uit­wonend en een tegemoetkoming in de directe studie­kosten. Ook hier hoort een OV-kaart bij. Formulieren voor het aanvragen van de uitkeringen liggen op het postkantoor. Verder heeft de IB-Groep een heel uitgebreide site, waar de precieze regelingen en bedragen zijn te vinden: www.ib-groep.nl.  •
“Veel pleegzorgzaken waarin pleegkinderen meerderjarig werden, heb ik weliswaar nog niet gehad, maar wat toch opvalt is dat pleegouders snel met de handen in het haar zitten wat betreft het vervolg van hun pleegkind.”

Beschermende maatregelen

Curatele, bewindvoering en mentorschap
Er bestaan drie vormen van beschermende maatregelen: curatele, bewind­voering en mentorschap. In overleg met het kind, de pleegouders en/of de gezinsvoogd moet worden gekeken of een beschermende maatregel nodig is en zo ja welke. Hierbij geldt dat er bescherming op maat moet worden gezocht. Alles wat het kind zelf kan, moet het vooral ook zelf doen.
•  Onder curatele: Van de drie vormen van bescherming is curatele de zwaarste maatregel. Iemand die onder curatele staat, mag net als een minderjarige, over bijna niets zelfstandig beslissen. Dat doet de curator.

•  Bewindvoering: In de meeste gevallen, dit geldt bijvoorbeeld voor veel oud-pleegkinderen van de William Schikker Stichting, is bewind­voering voldoende. Over geld en goederen die onder het bewind vallen, kunnen zij niet beschikken zonder toestemming van de bewindvoerder. Bewindvoering kan eventueel worden gecombineerd met mentorschap.

•  Mentorschap: Mentorschap biedt bescherming op het persoonlijke vlak, zoals begeleiding, verzorging en behandeling. Daarbij heeft de mentor de plicht de zelfstandigheid van het ‘kind’ te bevorderen. De beschermende maatregel moet bij de rechter worden aangevraagd. Dit kunnen pleegouders niet zelf doen. De kosten die een aanvraag met zich mee brengt, zijn in principe voor de wettelijk vertegenwoordiger. Het is dus zaak om tijdig in gesprek te gaan met de pleegzorgbegeleider, de ouders/voogd en het pleegkind om te bepalen welke maatregel er nodig is.  •

“De bewindvoering en het mentorschap hebben zo hun consequenties. Je moet alles invullen wat je kind bezit. Je moet ook alles invullen wat je kwijt bent voor kosten en levensonderhoud, zakgeld, ontspanning en vakantie. We wisten dit wel, maar nergens kan je richtlijnen/bedragen vinden. Je moet het allemaal zelf uitdokteren.”

Werk, uitkering en vergoeding

Werken of uitkering
Pleegkinderen die werken (zonder dat er sprake is van verlengde hulpverlening), moeten gewoon van hun eigen inkomsten leven. Een pleegkind dat geen volledig dagonderwijs volgt en geen betaalde baan heeft, moet een beroep doen op de Gemeentelijke Sociale Dienst en een uitkering krachtens de Nieuwe Algemene Bijstandswet aanvragen.

Daarvoor is een bewijs van inschrijving bij het CWI (voorheen arbeidsbureau) noodzakelijk. Een pleegkind dat onvoldoende inkomsten verwerft uit loon, Wajong (WAO voor jongeren) of tegemoetkoming scholieren kan een beroep doen op aanvullende bijstand.

Inhoudingen pleegoudervergoeding
Voor pleegkinderen met verlengde hulpverlening geldt het volgende:
Als ze een baan hebben (anders dan vakantie- of weekendbaan) of een loongerelateerde uitkering, geldt dezelfde regeling als voor pleegkinderen onder de achttien jaar. Het gaat hierbij om uitkeringen als: Ziektewet (ZW), Nieuwe Weduwen en Wezenwet (NWW) of Wet Studie Financiering (WSF). Dit geldt ook voor pleegkinderen met een uitkering op basis van een volksverzekering (b.v. Wajong of RWW).

Wanneer pleegkinderen inkomsten hebben, zoals hierboven werd beschreven, moeten deze inkomsten gedeeltelijk van de pleegzorgvergoeding  worden afgetrokken. Hierbij geldt het totale netto inkomen van het pleegkind als uitgangspunt. Het mag zelf 25% van het geldende minimum­jeugdloon houden en de overblijvende 75% wordt op de pleegzorgvergoeding ingehouden. Als het pleegkind werkt (dan is het inkomen geen uitkering), wordt de inhouding nogmaals verminderd met 25%.
“U begrijpt dat wij financieel aardig bij moesten springen. Omdat dit kind een vrij moeilijk kind is, hebben we regelmatig aan de voogd en de pleegzorgwerker gevraagd of voor haar de pleegzorgbegeleiding en het pleeggeld verlengd kon worden tot ze het huis uit was. Als antwoord kregen we: Nee, na achttien jaar houdt alles op.”

Gehandicapte pleegkinderen
Een gehandicapt pleegkind dat meer dan 25% arbeidsongeschikt is, kan een Wajonguitkering (laten) aanvragen. De hoogte van de uitkering wordt bepaald door de leeftijd en de mate van arbeidsongeschiktheid. Hieraan gaat een medische keuring vooraf. Om hiervoor in aanmerking te komen moet het kind wel vanaf zijn tiende in Nederland wonen. Een Wajong­uitkering moet voor de achttiende verjaardag aangevraagd worden door de wettelijke vertegenwoordiger. Aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar op het postkantoor.

Pensioen/ANW
Pleegkinderen die twee ouders hebben verloren, komen in de regel in aanmerking voor een wezenpensioen. Dat moet door hun voogd worden aangevraagd bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Sinds 1 januari 2005 hoeft dit bedrag niet meer in zijn geheel aan Bureau Jeugdzorg te worden afgedragen. Het pleegkind heeft recht op een vrije voet. Dit is 25% van het minimumloon dat op de leeftijd van toepassing is. Dit bedrag wordt door Bureau Jeugdzorg gereserveerd voor het pleegkind en overgedragen bij meerderjarigheid. De uitkering stopt in principe als de wees zestien wordt. Bij arbeidsongeschiktheid loopt het door tot zijn 18e en als hij studeert tot zijn 21e. Deze uitkering staat los van even­tuele andere inkomsten zoals bijvoorbeeld studiefinanciering.
Voor kinderen die recht hebben op een pensioen van één overleden ouder geldt sinds 1 januari 2005 dezelfde regeling als hierboven beschreven. Af­hankelijk van de pensioenverzekeraar kan dit doorlopen tot het 27e levensjaar, op voorwaarde dat er volledig dagonderwijs wordt gevolgd.  •

Verzekering en huisvesting

Huisvesting
Pleegkinderen die achttien worden, moeten met hun pleegouders, (gezins)voogd en hun ouders in gesprek: Hoe nu verder?  Is het kind er al aan toe om zelfstandig te gaan wonen? Welke opties zijn er?

Bij de pleegouders blijven wonen
Als iedereen het daar mee eens is, maakt men afspraken over de financiën en is het rond.

Op kamers
Zoals voor iedereen geldt: ruim op tijd zoeken naar een geschikte plek en afspraken maken voor als het kind op zijn achttiende nog niets heeft gevonden en nog wat langer blijft.

Een pleegkind dat in kamertraining is, wordt daar verder geholpen. De mentoren kennen de daar geldende regels het best.

Voor gehandicapte pleegkinderen, voor wie bovenstaande mogelijkheden te moeilijk zijn, weet de William Schikker Stichting over het algemeen het best welke oplossingen er zijn. Ook dit zijn langdurige trajecten: op tijd over nadenken en vroeg aan beginnen!

Een pleegkind dat bij de pleegouders blijft wonen, staat waarschijnlijk al op dat adres ingeschreven. Het kind dat op kamers gaat wonen, moet er voor zorgen dat het op het goede adres staat ingeschreven.

Voor de toekenning van studiefinanciering wordt er gecontroleerd waar de aanvrager woont.
“Jongeren mogen in alle redelijkheid zaken kopen. Verkopers mogen er van uitgaan dat jongeren weten wat ze doen en dus ook gewoon verkopen. Hierdoor kunnen jongeren in de problemen komen en meer uitgeven dan er binnenkomt.”

Verzekeringen
Vanaf achttien jaar moeten jongeren hun eigen ziektekostenverzekering hebben, eventueel met een aanvullende verzekering. Het is zaak om tijdig uit te zoeken welke mogelijk­heden er zijn en welke verzekering het beste past. Het kind moet ook zorgtoeslag aanvragen via de belasting­dienst. Daarnaast is er, indien niet via pleegouders of eigen ouders geregeld, een aansprakelijkheids­verzekering particulieren nodig en een inboedelverzekering voor een pleegkind dat zelfstandig gaat wonen.  •

Voor het samenstellen van dit artikel is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Financiële wijzer van Horizon Pleegzorg, Alphen aan den Rijn • Folder van de William Schrikker Stichting ‘Onbezorgde toekomst’ • ‘Paraplu voor pleegouders’ door Mariska Kramer, Uitgeverij SWP, ISBN 9066656476 • Website van het Nibud en de IB-Groep.


Tags: , ,