Nieuwe vormen van therapie bij hechtingsstoornis

‘De Knoop’ is een landelijke vereniging voor hechtingsstoornissen/Geen Bodem-Syndroom.
De organisatie hield een themabijeenkomst over differentiatietherapie en fasetherapie, twee nieuwe vormen van behandeling van hechtingsproblemen.

De theorie is ontwikkeld door Anniek Thomees-Vreugdenhil. Zij onderscheidt kinderen met hechtingsproblemen in twee groepen: hechtingsgestoorde kinderen en relatiegestoorde kinderen. Zij ontwikkelde drie soorten behandelingen.

Bij hechtingsgestoorde kinderen zijn opvoeders vanaf het directe begin, de conceptie of de geboorte, onvoldoende beschikbaar. Bij relatiegestoorde kinderen waren de ouders bij aanvang wel aanwezig, maar is er tussen de anderhalf en tweeëneenhalf jaar iets misgegaan. Kinderen met beide problemen zijn erg prikkel- en stressgevoelig. De volwassene heeft hen onvoldoende kunnen helpen, troosten en beschermen om hen te leren dat stress verdwijnt en dat zij zich weer veilig kunnen voelen.

Enkele kenmerken van hechtingsgestoorde kinderen:
•    Alles zelf regelen
•    Moeite hebben met grenzen
•    Allemansvriendje zijn
•    Volwassenen zijn inwisselbaar
•    Agressief
•    Dominerend/veeleisend ten aanzien van eigen behoeften
•    Gericht op controle van het gedrag van anderen in plaats van op zichzelf.

Enkele kenmerken van relatiegestoorde kinderen:
•    Geringe sociale vaardigheden
•    Wisselen af tussen nabijheid wensen en nabijheid weren
•    Passief teruggetrokken gedrag
•    Uiten angst, boosheid en wantrouwen

Naast de twee nieuwe vormen van therapie is er ook een basistherapie. Deze is bedoeld voor volwassenen, de andere specifiek voor kinderen. De differentiatietherapie richt zich op de voornaamste kenmerken van de stoornis: allemansvriend zijn, onvoldoende begrenzing en geen verschil zien tussen volwassenen.

Er wordt gestart met gedragsregulatie in het gezin. Daarna leert de psychotherapeut het kind differentiëren (verschillen waarnemen) via het eetspel. De therapeut benoemt de verschillende smaakvormen. Ook op andere gebieden leert het kind differentiëren. Als dit in de therapie helder is gemaakt, wordt het ook in het gezin benoemd. Kan het kind eenmaal differentiëren, dan wordt overgegaan op fasetherapie.

De fasetherapie gaat er vanuit dat het kind nabijheid wil en gebrek aan zelfwaardering heeft. Per fase wordt de therapie begrensd aangeboden. Er wordt gestart in de babyfase om daarna de volgende ontwikkelings­fasen door te werken. De ouders of verzorgers werken twee tot drie keer per week tien minuten voor het naar bed gaan met het kind. Het doel is dat het kind de controle durft over te geven en de nabijheid leert voelen. De therapeut werkt eens per week met het kind. Overdag wordt het kind aan de normale leeftijdsregels gehouden. Voor ouders bij wie de rek er al helemaal uit is, kan de therapie belastend zijn.

Een volgende fase kan pas van start gaan als het kind een nabijheidsvorm kan toelaten. In iedere fase komen andere thema’s aan de orde. In de peuterfase bijvoorbeeld autonomie/ trots en schuld/schaamte. Alle ontwikkelingen die een mens doormaakt om volledig te functioneren, worden dus door middel van de fasetherapie alsnog uitgewerkt. Ontwikkelingen die het kind gemist heeft en waardoor de hechtingsstoornis of relatiestoornis is ontstaan worden op deze manier alsnog aangereikt. •

Over deze therapievormen is het boek ‘Behandeling van hechtingsproblemen’ door Anniek Thomees-Vreugdenhil verschenen


Tags: ,