Pleegzorg en de Wet op de jeugdzorg

Auteur: Rick van de Locht  

De Wet op de jeugdzorg is het resultaat van bijna honderd jaar kinderwetten. De belangrijkste is haar voorloper uit 1989: de Wet op de jeugdhulpverlening. Met name het ‘zo-zo-zo-principe’ is hierin belangrijk: zo dichtbij mogelijk, zo kort mogelijk en zo licht mogelijk. Daarom waren in alle regio’s locaties en instellingen om kinderen op te vangen en te helpen. Er ontstond een onduidelijke situatie, want er waren te veel en te kleine zorgaanbieders: de zogenaamde verkokering en versnippering. Zij moesten in veel gevallen fuseren en reorganiseren. Het belangrijkste doel van de Wet op de jeugdzorg, die op 1 januari 2005 werd ingevoerd, was dan ook het verbeteren van de organisatie in de jeugdzorg.

De vijf beleidsdoelstellingen van de Wet op de jeugdzorg:
•Niet langer uitgaan van wat de voorzieningen aanbieden aan hulpverlening, maar uitgaan van de vraag van de cliënten.
•Bureau Jeugdzorg is de enige, onafhankelijke en centrale toegang tot de jeugdzorg, waar na indicatie (het vaststellen van het probleem en hoe dit zal worden aangepakt) uit alle zorgaanbieders de beste hulpverlening gekozen kan worden.
• De jeugdbescherming: het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), de voogdij, de gezinsvoogdij en de jeugdreclassering, is onderdeel van Bureau Jeugdzorg.
• Nadat Bureau Jeugdzorg heeft vastgesteld dat een jeugdige zorg nodig heeft, zijn daar rechten aan verbonden over het ‘op tijd’ en ‘op maat’ beschikbaar zijn van hulp: het zogenaamde recht op jeugdzorg.
• De introductie van de gezinscoach die ‘multi-probleemgezinnen’ (gezinnen die te kampen hebben met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen van de kinderen) ondersteuning biedt en de hulpverlening op elkaar afstemt, wanneer er meerdere zorgaanbieders in zo’n gezin actief zijn.

De Wet op de jeugdzorg beoogde een verbetering van de organisatie door de oprichting van het Bureau Jeugdzorg en het opstellen van een duidelijke keten van jeugdzorg.

De Bureaus Jeugdzorg moeten herkenbaar en toegankelijk zijn voor ouders met opvoedings- en jongeren met opgroeiproblemen. In een aantal gesprekken wordt gekeken welke problemen er zijn en hoe die het best kunnen worden aangepakt: de zogenaamde indicatie. De keten van jeugdzorg geeft aan wie de verantwoordelijkheid in de hulpverlening draagt en in welke volgorde hulp wordt aangeboden. Ouders vormen de eerst verantwoordelijke schakel in de opvoeding. Zij worden ondersteund in de opvoeding door het consultatiebureau, de huisarts, de school en dergelijke. Bij problemen onderzoekt en beoordeelt Bureau Jeugdzorg welke hulp nodig is. Zij krijgen waar nodig informatie van de Raad voor de Kinderbescherming. Bureau Jeugdzorg biedt zelf lichte hulp, maar verwijst vooral door naar de zorgaanbieders zoals jeugdzorginstellingen (waaronder pleegzorg), de geestelijke jeugdgezondheidszorg, de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugd en de justitiële jeugdinrichtingen.

Verbeterde rechtspositie

Een andere verandering is dat cliënten een sterkere rechtspositie krijgen. Met cliënten worden zowel de kinderen en jongeren tot 18 jaar (met waar nodig uitloop tot 23 jaar) als hun ouders bedoeld. Zij staan centraal in de nieuwe wet. De positie van de cliënten van de jeugdzorg kan het best bewaakt worden door de jeugdigen en de ouders zelf. In het hulpverleningsplan geeft de zorgaanbieder aan welke problemen en stoornissen zij op welke manier aanpakt, wanneer de evaluatiemomenten zijn gepland en wie de zorg coördineert als er meerdere zorgaanbieders samenwerken. Het grote voordeel is dat er slechts één hulpverleningsplan is, ook al zijn er meerdere zorgaanbieders. De hulpverlening gaat pas van start als de cliënt met het plan akkoord gaat. Bureau Jeugdzorg blijft op de hoogte van de ontwikkelingen in de hulpverlening. Zij houdt evaluaties met de zorg­aanbieder en zorgt dat de hulpverlening op elkaar aansluit.

De hulpverlenings- en opvoedingsvariant

Ook aan de plaatsing in het pleeggezin gaat de indicatie door Bureau Jeugdzorg vooraf. In het proces van indicatiestelling kan Bureau Jeugdzorg een beroep doen op pleegzorg om informatie te geven. Hierna kan tot de indicatie pleegzorg besloten worden. Vervolgens wordt er een zorgteam geformeerd dat de doelen uit het indicatiebesluit concretiseert en werkafspraken maakt. Het zorgteam bestaat uit het kind (of als het te jong is zijn vertegenwoordiger/voogd), de ouders, professionals, vertegenwoordigers uit het (familie) netwerk van het kind en de pleegouders.

De eerste samenkomst, de startbijeenkomst, is bedoeld om op één lijn te komen. Daarna vergroot het zorgteam met name de continuïteit in het leven van het pleegkind. Na de startbijeenkomst wordt het kind daadwerkelijk uithuis geplaatst en start de hulpverleningsvariant. De ouders worden ontlast en er ontstaat een stabiele situatie voor alle betrokkenen, waarin kan worden toegewerkt naar intensieve ambulante hulpverlening aan de ouders om de oorspronkelijke gezins­situatie te herstellen. Na een half jaar (in de praktijk na één of anderhalf jaar) vindt een evaluatie plaats, waarbij een opvoedingsbesluit genomen wordt.

Er zijn drie mogelijkheden:
•het traject naar huis is haalbaar en wordt doorgezet.
•overgaan op de opvoedingsvariant.
•zoeken naar ander zorgaanbod.

De opvoedingsvariant is bedoeld als een nieuwe stabiele thuissituatie voor een kind, waarbij pleegouders het pleegkind tot de volwassenheid opvoeden. Voor de ouders betekent dit dat zij de nieuwe rol moeten aannemen van niet-opvoedende en niet-verzorgende ouder. Medewerking, of in ieder geval acceptatie door de ouders, is ook in de opvoedingsvariant erg belangrijk. Een pleegkind kan zich beter hechten aan en ingroeien in het pleeggezin wanneer de ouders het kind hiervoor als het ware toestemming hebben gegeven.  •

Recht op jeugdzorg

Bureau Jeugdzorg moet iedere jeugdige helpen die hulp nodig heeft. Anders gezegd: de jongere heeft ‘recht op zorg’. Dit is ongeacht bestaande wachtlijsten en de cliënt kan met zijn indicatie eventueel buiten de eigen woonregio hulp vragen bij een zelf gekozen zorgaanbieder. Als een zorgaanbieder geen plaats heeft, mag hij het verzoek om hulp naast zich neerleggen. In alle andere gevallen is er acceptatieplicht. Wanneer er bij de eerst gekozen zorgaanbieder geen plaats is, moet Bureau Jeugdzorg een nieuwe zorgaanbieder voor de jeugdige zoeken. Voor zover bekend heeft het recht op jeugdzorg nog niet geleid tot een kort geding om zorg af te dwingen


Tags: , ,