Ouders aan tafel

Het doel van de Wet op de jeugdzorg is de hulpverlening eenvoudiger organiseren en cliënten een betere positie geven. Aan de basis daarvan ligt een andere manier van denken over de hulpverlening. Was het vroeger gewoon om een kind uit zijn omgeving weg te halen en elders te ‘heropvoeden’, tegenwoordig probeert men een kind zoveel mogelijk in zijn eigen ‘systeem’ te houden. Ook heeft de nieuwe wet de positie van Bureau Jeugdzorg veranderd. De taak van Bureau Jeugdzorg is nu om te inventariseren wat de hulpvraag is en door te verwijzen naar een instelling die deze hulp aanbiedt. Was het tot een aantal jaren geleden nog zo dat de pleegzorgwerker de pleegouders begeleidde en iemand van Bureau Jeugdzorg het contact met de ouders onderhield, nu is de begeleiding van beide partijen in handen van de ambulant begeleider pleegzorg. Aan het begin van een plaatsing moet er een plan met doelen opgesteld worden. Deze doelen worden minstens eens per jaar geëvalueerd en bijgesteld. Zo verantwoordt een instelling waar de hulp (lees: het geld) voor wordt ingezet. Ouders worden steeds vaker betrokken bij het opstellen en evalueren van de behandelplannen. In dit artikel leest u twee voorbeelden uit de praktijk.

Caroline (12) en haar moeder

De pleegzorgwerker van Caroline vertelt het verloop van het startgesprek:
“Vandaag is het startgesprek van Caroline. Nou ja, ‘start’; ze woont al weer een paar weken in haar huidige crisispleeggezin. Het klikt goed met haar pleegmoeder en die heeft aangeboden haar voor langere tijd in huis te nemen. Caroline is bekend in de hulpverlening en heeft al een aantal hulpprojecten gezien. Nergens heeft ze het lang volgehouden. Dat haar moeder zou worden uitgenodigd voor dit gesprek stond voor Caroline buiten kijf. Ze zou anders niet eens zijn gekomen. Gelukkig vindt ook haar pleegmoeder het belangrijk dat Caroline een goed contact heeft met haar moeder. We zitten rond de tafel met Caroline, de voogd, de pleegmoeder, mijzelf en mijn leidinggevende.

Als haar moeder binnenkomt, straalt Caroline van oor tot oor. Ze heeft haar al een paar weken niet gezien, want het is een roerige tijd geweest. Ze biedt haar moeder een kopje thee aan. Haar moeder is een kleine, wat verlegen vrouw die iedereen zacht de hand drukt. “Je ziet er goed uit”, zegt ze tegen Caroline. De voogd neemt het woord. Ze legt uit wat de bedoeling is van dit gesprek en zegt dat we doelen gaan opstellen voor de komende periode. In het gesprek blijkt dat moeder er veel moeite mee heeft dat anderen voor haar dochter zorgen. Ze kan dit zelf niet, dat erkent ze wel, maar juist daarom wil ze weten wat er met Caroline gebeurt. Ze wil zeker weten dat haar dochter het beste krijgt.

Tijdens het gesprek lijkt het tussen moeder en pleegmoeder wel te klikken. Ze hebben redelijk dezelfde ideeën over hoe Caroline moet worden aangepakt. Caroline heeft veel duidelijkheid nodig. De pleegmoeder kan dat bieden, samen met een aai over haar hoofd als ze dat nodig heeft. “Ik ben blij”, zegt Carolines moeder aan het eind van het gesprek. “Zorg dat je je best doet op school.”

Als iedereen weg is, praten mijn leidinggevende en ik nog even na. We herinneren ons de woorden van moeder en zijn het eens: Caroline mag van haar moeder bij deze pleegmoeder wonen en daarmee heeft de plaatsing een grote kans van slagen.”

Het verhaal van Sheila

De pleegmoeder van Sheila beschrijft het opstellen van het hulpverleningsplan:
“Sheila (13) woont al zes weken bij ons als we voor het eerst bij elkaar komen om het hulpverleningsplan te bespreken. De moeder van Sheila is aanwezig, de gezinsvoogd, de pleegzorgbegeleider met haar werkbegeleider en wij, de pleegouders. Doelen die vast­gesteld worden, zijn ‘een veilige, stabiele plek’ voor Sheila en ‘het opstellen van een bezoekregeling met moeder’.

Voordat Sheila bij ons kwam, zijn zij en haar moeder uit hun huis gezet en zwierven een paar weken langs verschillende noodopvangadressen tot de Raad voor de Kinder­bescherming een VOTS (1) en UHP (2) aanvroeg. Moeder verzette zich heftig tegen de scheiding.

Tijdens het gesprek lijkt alles koek en ei. Moeder is het met alles eens. Als de bezoekregeling ter sprake komt, legt de voogd uit dat het voor Sheila heel belangrijk is om contact te hebben met haar moeder, maar dat ze ook een band moet opbouwen met haar pleegouders. Daarom moeten er duidelijke afspraken zijn, waar iedereen zich aan moet houden. Moeder knikt, maar geeft aan dat ze één middag in de week echt te weinig vindt. Dat vinden voogd en begeleider ook. Ze kijken ons vragend aan. Kan Sheila zaterdag opgehaald worden om de dag met moeder door te brengen? We stemmen in. Het gesprek is ten einde en iedereen schudt elkaar de hand.

In de auto terug naar huis zijn mijn man en ik een tijdje stil. We hebben er even geen woorden voor. Vanaf het moment dat Sheila bij ons is, duikt moeder altijd en overal op. Van de juf horen we dat ze Sheila elke ochtend en middag bij haar school staat op te wachten. Ze komt regelmatig, soms meerdere keren op één dag, de klas binnenstormen met op- en aanmerkingen richting juf of Sheila. Tijdens het schoolreisje stapt ze onaangekondigd de bus in om mee te gaan. Drie keer per week gaat Sheila na school naar een clubhuis. Van de activiteitenbegeleider horen we dat moeder ook die middagen naar het clubgebouw komt.

Dit hadden wij toch gemeld aan voogd en begeleider? Zij hadden moeder toch verboden om haar dochter buiten de afgesproken middag op te zoeken? Thuisgekomen bellen we de pleegzorgbegeleider op. Haar uitleg: “Als we tegen moeder ingaan, wordt ze boos en is er helemaal niet meer met haar samen te werken.”

De volgende dag brengt de post het hulpverleningsplan. We tekenen en sturen deze wassen neus retour. Sheila heeft niet lang bij ons gewoond. Haar moeder maakte het onmogelijk om iets met ons op te bouwen.”  •

(1)     VOTS =  Voorlopige onder toezichtstelling
(2)       UHP = Uithuisplaatsing


Tags: , ,