Kwetsbare kinderen leren beter als onderwijs en zorg samenwerken

Auteur: Mirte Loeffen  

15.000 kinderen wonen voor kortere of langere tijd in een ander gezin. Ruim 5.000 van die kinderen volgen het basisonderwijs, zo’n 8.000 het middelbaar onderwijs. De meeste pleegkinderen hebben veel meegemaakt voordat ze naar een pleeggezin verhuisden. Dit heeft gevolgen voor het kunnen leren op school. Pleegkinderen hebben niet alleen aandacht nodig bij het leren rekenen en schrijven, maar ze moeten ook emotionele ballast te lijf om überhaupt tot leren te komen. Wanneer hier geen aandacht voor is, blijven de leerprestaties en daarmee het zelfbeeld laag. De belangstelling van het kind voor school is gering. Dit alles zorgt ervoor dat de kans op schoolverlaten groot is.

Een naadloze afstemming en samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg lijkt daarmee vanzelfsprekend, temeer omdat het aantal risicoleerlingen de afgelopen jaren gegroeid is en hun relatieve achterstand ook nog eens is vergroot.

Toch is er van die naadloze afstemming geen sprake. Al in 2000, toen hij professor werd, constateert Zandberg (1) ten aanzien van de behandeling van ernstig gedragsgestoorde kinderen in het onderwijs en de jeugdhulpverlening dat:

de zorg voor probleemjongeren te veel versnipperd is en dat diverse sectoren en instellingen langs elkaar heen werken, terwijl ze zich op dezelfde doelgroep richten.

door onvoldoende afstemming tussen hulpverlening en onderwijs leerlingen vanwege probleem­gedrag op een schoolniveau beneden hun mogelijkheden belanden.

door beleidsontwikkelingen, re­organisaties en nieuwe samen­werkingsverbanden binnen de eigen sector veel instellingen te veel met zichzelf bezig zijn.

Daarbij komt dat:

de scholen vaak niet weten welke weg ze moeten bewandelen als ze externe hulp zoeken bij problemen van leerlingen en de jeugdzorg te ondoorzichtig is en zodoende moeilijk te bereiken. De school zit te springen om een duidelijk beeld van wat de jeugdzorg te bieden heeft en hoe zij van die deskundigheid gebruik kan maken.

de werkwijze en mogelijkheden van Bureaus Jeugdzorg als toegang tot de jeugdzorg onvoldoende bekend zijn bij scholen.

scholen vaak een aanbod missen dat in de praktijk van het onderwijs bruikbaar en effectief is. De jeugdzorg heeft onvoldoende kennis van de dagelijkse gang van zaken in het onderwijs.

de jeugdzorg de maatschappelijke en sociale betekenis van het onderwijs onderschat.

de jeugdzorg het onderwijs onvoldoende serieus neemt als samenwerkingspartner; het zit vooral vast op het gezamenlijk een weg uitstippelen.

Meer dan onderwijs alleen

Toch staat al sinds midden jaren negentig de brede school op de agenda. De brede school wil zeggen dat een school meer biedt dan alleen onderwijs. Met de invoering van de brede school zouden juist de problemen die Zandberg noemt, verholpen moeten zijn. Maar het staat er tegenwoordig niet veel beter voor. Dit blijkt onder meer uit de in maart jongstleden uitgesproken lectorale rede van prof. drs. Dolf van Veen (2). Hij constateert dat de brede school de afgelopen tien à vijftien jaar nauwelijks de kinderschoenen is ontgroeid. Onderzoek naar brede scholen laat zien dat de doelen en de ingezette programma’s weinig samenhang vertonen. Het probleem met deze brede schoolinitiatieven is dat de zorg wordt toegevoegd aan het onderwijs, maar feitelijk blijven de inhoud en de organisatie van het leren onveranderd. Het onderwijs moet juist opnieuw uitgevonden worden door ook de taken van schoolfunctionarissen op het gebied van leerlingen­zorg en leerlingenbegeleiding te herzien. Ze moeten betrokken raken bij multidisciplinaire zorgadvies­teams die zich bezig houden met probleemtaxatie, hulpverlening en casemanagement.

Verknoping onderwijs en zorg maakt leren mogelijk

Van Veen houdt een vurig pleidooi voor de verknoping van zorgstructuren en onderwijs. Als de school niet verbonden is aan hulpverleningsinstanties gaan toegewijde leraren, ook al staat dat niet in hun taakomschrijving, de rol van maatschappelijk werker op zich nemen.

Het verplaatsen van de verantwoordelijkheid van de hulpverlener naar de vaak toch al overbelaste leerkracht is niet de oplossing. Van Veen wil af van de in Amerika en in vele Europese landen gangbare opvatting dat de school een op zichzelf staande organisatie is. Omdat scholen met alle kinderen en hun ouders contacten hebben en deze over een langere periode volhouden, is de school volgens hem de aangewezen plek van waaruit verschillende vormen van ondersteuning en hulpverlening geactiveerd en waar nodig afgestemd kunnen worden op de onderwijszorg. Hij noemt dit een ecologische benadering. Dat wil zeggen dat leren en ontwikkeling niet meer alleen de taak van de school is, maar veel meer een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Leerlingbegeleiders hebben zich lange tijd gericht op het werken met individuele kinderen op school, met het oog op verbetering van het gedrag in de onderwijsleersituatie en van hun schoolprestaties.

Schoolleiders, leerlingbegeleiders en mentoren en de school als geheel zouden de omslag moeten maken van een leer- en leerlinggerichte benadering in de klassen en schoolsituatie naar een praktijk die ook het gezin, de bredere sociale omgeving en de instellingen uit de sociale en zorgsector betrekt. Dit lijkt een logische vernieuwing aangezien:

kinderen slechts rond de 15% van hun tijd door brengen op school.

een zelfs nog kleiner deel van deze tijd daadwerkelijk wordt besteed aan leren.

sommige van de belangrijkste factoren die van invloed zijn op leren, leerprestaties, succes en slagen op school, terug te vinden zijn in de groep leeftijdgenoten, in het gezin en in de bredere sociale omgeving.

leerkrachten weinig tot geen invloed hebben op of controle over deze buitenschoolse factoren en krachten, waardoor hun mogelijkheden om verbetering in de leerprestaties te realiseren beperkt zijn.

l eerkrachten zich in de huidige situatie in een spagaat bevinden, omdat zij weinig kunnen doen aan de buitenschoolse factoren die leren en leerprestaties beïnvloeden, maar daar wel verantwoordelijk voor worden gesteld en beoordeeld worden op de mate waarin ze verbetering van leerprestaties realiseren.

Lessen in zelfredzaamheid

Kortom, het is hoog tijd voor een ander idee over onderwijs. Voor de invoering van die vernieuwing is ook een aanpassing van de opleiding en de professionele ontwikkeling van leerkrachten van belang, samen met verbetering van het schoolmanagement. Ook al zullen leerkrachten met deze ecologische benadering van onderwijs geen maatschappelijk werkers behoeven te worden, de lesinhoud kan wel een socialere kleur krijgen. Naast rekenen en taal is er dan aandacht voor het toegroeien naar zelfredzaamheid. Een voorbeeld van een methode hiervoor is het lesprogramma ‘Levensvaardigheden’, ontleend aan het werk van de Amerikaanse onderwijspsycholoog William B. Knaus. Dit lesprogramma leert kinderen met conflicten om te gaan en waarden, normen en levensvragen te verkennen.

Een ander voorbeeld zijn de lessuggesties zoals neergelegd in het boekje ‘Een kind uit een pleeggezin in de klas’. Vanuit de ecologische zienswijze kan er bij dit boek de volgende kritische noot geplaatst worden: het al dan niet aanwezig zijn van een pleegkind in de klas hoeft niet te bepalen of er aandacht aan dit onderwerp wordt besteed. Ook op de sportclub of bij vriendjes kun je als kind met pleegzorg in aanraking komen. Aandacht voor pleegzorg in de klas kan, nee, moet dus altijd en overal. •

1. Tjalling Zandberg is bijzonder hoogleraar Orthopedagogiek aan de Faculteit der Psychologische Pedagogische en Sociologische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen.

2. Dolf van Veen is lector Grootstedelijk Onderwijs en Jeugdbeleid aan de Hogeschool INHOLLAND in Diemen.

====
Kader
====

Zorgen voor een veilige omgeving om te kunnen praten

Op een aantal scholen in Nederland is men de afgelopen jaren op zoek gegaan naar andere manieren om de onderwijstaak in te vullen. Kristien Kappers is docent in het Leerwegondersteunend Onderwijs (LWOO). Op deze school is er veel aandacht voor de individuele leerlingen. Ook wordt er extra aandacht besteed aan de ontwikkeling van de jongeren door onder meer trainingen sociale vaardigheid te geven.

“Samen met twee collega’s geef ik les aan 45 leerlingen in de leeftijd van twaalf tot vijftien jaar. Deze groep begeleiden we de hele dag. Het grote voordeel is dat we onze leerlingen goed kunnen volgen en snel op dingen kunnen reageren. Eén van de leerlingen woont sinds een aantal jaren in een pleeggezin. De leerlingen weten dat en in de klas komt het zo nu en dan ter sprake. De sfeer is goed, daarom kan er open over worden gepraat. Onlangs liet deze leerling een werkstuk aan mij zien. Hij had het speciaal voor zijn pleegmoeder gemaakt en was erg trots op het resultaat. De andere leerlingen luisterden mee. Een van hen vroeg waarom hij in een pleeggezin woont en wat dat dan precies is. Met een beetje hulp van mij kon hij dat goed uitleggen. Omdat het gesprek spontaan ontstond, vond ik het een heel mooi moment. Ik denk dat het een prettige manier is om er zo over te praten. Mijn taak als docent is volgens mij dan ook om te zorgen voor een veilige omgeving waarin leerlingen gemakkelijk over persoonlijke onderwerpen als dit (te) kunnen praten.”

Literatuur

Een kind uit een pleeggezin in de klas

F. van Beek en J.C. Stellingwerff

Informatie voor leerkrachten aan de basisschool (2005), Uitgeverij Ten Brink ISBN 90 77866 03 5.

Waardig en vaardig in het leven

J.C. Gravesteijn en R. Diekstra

Hoe jongeren sociaal en emotioneel uit te rusten voor de volwassenheid (2004), Uitgeverij Harcourt Assessment ISBN 9026517165.

Vernieuwing van het onderwijs en jeugdbeleid in grote steden

A.F.D. van Veen

Maatschappelijke urgentie, ontwikkelingsrichting en implicaties voor het hoger beroepsonderwijs (2006), Hogeschool INHOLLAND ISBN 90 77812 13 6.

Jeugdzorg en onderwijs (g)een paar apart

Tj. Zandberg, (2000), Stichting Kinderstudies Groningen.


Tags: ,