Bureau Jeugdzorg: de schakel tussen vraag en aanbod

In de Wet op de jeugdzorg is een belangrijke rol toegekend aan Bureau Jeugdzorg dat de toegangspoort dient te zijn voor ouders met ernstige opvoed- en jongeren met opgroeiproblemen. Hier vindt het eerste contact tussen de hulpvragers en de jeugdzorg  plaats. Vincent Plomp is werkzaam bij Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam. Hij werkte elf jaar als jeugdbeschermer en maakte anderhalf jaar geleden de overstap naar een andere functie. Nu is hij beleidsmedewerker met onder andere opleidingen in zijn portefeuille. Aan hem vroegen we wat de invoering van de Wet op de jeugdzorg betekent voor Bureau Jeugdzorg.

Waarom zijn er verschillende benamingen voor dezelfde medewerkers van Bureau Jeugdzorg?

Er is een verschil tussen de jeugdbescherming en de vrijwillige hulpverlening binnen Bureau Jeugdzorg. Bij vrijwillige hulp heet de medewerker van Bureau Jeugdzorg doorgaans ‘jeugdhulpverlener’. Als de zorg over een kind zo groot is dat er een maatregel (Onder Toezicht Stelling – OTS) door de kinderrechter is uitgesproken, moeten ouders belangrijke besluiten bespreken met een andere medewerker van Bureau Jeugdzorg. Dan heet de functionaris ‘jeugdbeschermer’. Ouders blijven bij een OTS overigens het ouderlijk gezag houden en daarmee zijn ze nog steeds verantwoordelijk voor belangrijke zaken, zoals bijvoorbeeld de aanschaf van een paspoort.

De Wet op de jeugdzorg bracht een verandering met zich mee die in eerste instantie aanvoelde als een versmalling van ons werk. Als ouders met zorgen bij ons aankloppen, dan kunnen we daar op vrijwillige basis nog maximaal vijf gesprekken mee houden. Blijkt er meer hulp nodig te zijn, dan moeten we daarvoor bepalen welke hulp nodig is en deze laten uitvoeren door een ‘zorgaanbieder’. Uiteindelijk maakt dit onze rol wel heel duidelijk.

Wat is die rol van een medewerker bij Bureau Jeugdzorg?

Indiceren en het volgen van de hulp. Met andere woorden: onderzoeken wat de best passende zorg is. Daarvoor analyseren we de vraag die ons wordt gesteld en stellen we een diagnose. Het is niet meer zo als vroeger, toen je iemand aanraadde eens bij een bepaalde instelling te gaan kijken. De hulpvraag moet worden omgezet in een besluit. In dat besluit wordt de vraag van de klant zo goed mogelijk omgezet in een advies voor hulp.

Een indicatiebesluit betekent naast recht op de beschreven hulp, ook vergoeding van de hulp. Niet alle hulp kan op dezelfde indicatie worden verkregen. Als een kind in de weekends naar een pleeggezin gaat en die hulp zou in de vakanties ook wenselijk zijn, dan moet er een nieuw indicatiebesluit voor deze andere vorm van pleegzorg worden geschreven. Hetzelfde geldt wanneer er is uitgezocht of een kind weer thuis kan gaan wonen of wanneer langdurig wonen in een pleeggezin toch de beste oplossing blijkt. Dan verandert de vraag en is er een ander indicatiebesluit nodig. Een veel gehoorde klacht is dat het veel werk is om een indicatie te schrijven. Bij de scholing binnen Bureau Jeugdzorg is er dan ook veel aandacht voor het opstellen van zo’n indicatie. Die wordt zo specifiek mogelijk gemaakt, om tot de juiste vorm van hulp te komen.

Hoe komt een pleegzorgindicatie tot stand?

Allereerst wordt gekeken naar het probleem dat speelt. Dat wordt beschreven. Vervolgens wordt aangegeven wat de beste hulpvorm is. Als dat pleegzorg blijkt te zijn, dan wordt er uit verschillende ‘modules’, soorten pleegzorg, een keuze gemaakt. Het komt een enkele keer voor dat er zo’n enorme wachtlijst voor een bepaald soort hulp is, dat een andere hulpvorm wordt geadviseerd.

Ouders hebben recht op hulp en kunnen die hulp zelfs afdwingen. Gebeurt dat?

Ouders worden er wel op gewezen, maar het gebeurt niet echt. Ouders die dit zouden willen, kunnen via hun jeugdbeschermer contact opnemen met de jurist van Bureau Jeugdzorg. Ouders kunnen ook zelf met een advocaat naar de rechter.

De client moet door deze wet een stevigere positie krijgen. Is dat merkbaar?

Met de cliënt worden zowel het kind als diens ouders bedoeld. Dit zie je vooral in de manier waarop de (pleegzorg-)instellingen omgaan met ouders. Zij worden er nu op allerlei momenten bij betrokken. Ook ouders met problemen, zoals verslaving of een psychisch probleem, wordt geprobeerd een actievere rol te geven. Dat is anders dan voorheen, toen deze ouders nauwelijks in beeld kwamen. Daardoor komen de problemen die ouders hebben in beeld en gaan een rol spelen. Dat dwingt weer om samen te werken met zogeheten ‘ketenpartners’, instellingen die op een ander gebied zorg kunnen bieden, zoals schuldhulpverlening, maatschappelijk werk, etcetera.

De nieuwe Wet op de jeugdzorg introduceert een ‘gezinscoach’ voor gezinnen waar veel problemen zijn. Zijn deze er inmiddels?

Vanuit Amsterdam is er niet zoveel zicht op het inzetten van een gezinscoach. Een gezins­coach is geen medewerker van Bureau Jeugd­zorg, hij of zij wordt door een zorgaanbieder geleverd. Het is een vorm van hulp die dus via een indicatie geregeld moet worden. Het Leger des Heils heeft bijvoorbeeld enkele gezinscoaches.

Zijn er nog meer ontwikkelingen te verwachten?

Bureau Jeugdzorg is bezig met het ‘Deltaplan’. Dit Deltaplan is een verbeterde werkwijze in de jeugdbescherming, uitgevoerd met het extra geld dat vanuit de politiek is toegezegd. Het wordt de nieuwe werkwijze voor de Bureaus Jeugdzorg in Nederland. Een bekend onderdeel van het Deltaplan is de caseload (1) die omlaag zal gaan. Verder gaat de klant een nog belangrijkere rol spelen bij het opstellen van het hulpverleningsplan, dat het ‘plan van aanpak’ gaat heten. De Wet op de jeugdzorg verscherpt de taken van iedereen in de zorgketen en dat vereist meer samenspel.

Vergelijk het met bouwen: zie de pleegouders als de onderaannemers van een pleegzorginstelling. Die instelling is de aannemer en Bureau Jeugdzorg de projectontwikkelaar. Dan snap je dat goed onderling contact nodig is om tot het gewenste product te komen. Samenspel, want uiteindelijk draait het om de klant.  •

(1)       ‑Caseload is het aantal cliënten dat een jeugdbeschermer van Bureau Jeugdzorg heeft.


Tags: , ,