92 Programma’s voor ambulante zorg

Auteur: Antoinette van Wijngaarden  

‘Kan ik even binnenkomen?’ is de titel van een congres over intensieve ambulante gezinsbegeleiding. Het congres werd in mei georganiseerd in de Meervaart in Amsterdam.

Ruim 350 deelnemers, de meesten werkzaam binnen de jeugdzorg, luisterden naar een drietal lezingen en woonden presentaties bij over verschillende ambulante hulpverleningsprogramma’s. Dat blijken er nogal wat te zijn. Professor Janssens (1) liet het zijn studenten uitzoeken. Ze kwamen uit op een totaal van 92 programma’s die in Nederland worden toegepast. Zijn die allemaal nodig?

Het lijkt wel of elke instelling voor jeugdzorg zijn eigen programma met bijbehorende afkorting op de markt brengt. Zo hoorde ik tijdens het congres over IPT, WIG, STOP, APG, IOG, PMTO, MST, LSCI, MDFT en Triple P (2). Een aantal methodes is in Nederland zelf ontwikkeld. Daarnaast worden er nogal wat programma’s uit het buitenland, met name uit Amerika, overgenomen. De pleitbezorgers van deze methodes struikelen over elkaar in hun pogingen om aan te tonen dat hun methode de beste is. Universiteiten en hogescholen worden ingeschakeld om de effectiviteit aan te tonen, want ‘evidence based practice’ (3) is een gewild etiket.

Hebben we echt zoveel verschillende behandelprogramma’s nodig? Zijn de diverse programma’s eigenlijk wel zo verschillend? Doelgroep, doelstelling en uitgangspunten blijken verrassend vaak overeen te komen. Het gaat om gezinnen in een crisissituatie. Het doel is om het gezin bijeen te houden, meer expliciet “gericht op het voorkómen van uithuisplaatsing van een kind” (4). De nadruk ligt op vraaggericht en cliëntgericht werken.

“De vragen, behoeften en mogelijk­heden van de cliënt staan centraal. Gezinsleden worden gestimuleerd de touwtjes van hun leven (weer) in handen te nemen. De cliënten krijgen de regie over het hulpproces. […] Gezinsbegeleiders stellen hun professionaliteit ten dienste van de ontwikkeling van de cliënten.”(5)

De methodes verschillen wel sterk in tijdsduur en intensiteit. Toch blijkt volgens Janssens de effectiviteit van de methodes die wetenschappelijk zijn onderzocht niet veel van elkaar te verschillen. Daarom doet hij de aanbeveling om de veelheid van methodes zo snel mogelijk op te heffen en te kiezen voor één basisaanpak. Daarbinnen kunnen varianten ontwikkeld worden voor verschillende doelgroepen, zoals verstandelijk gehandicapten, jongeren met beginnend delinquent gedrag, kinderen van ouders met psychiatrische problemen.

Uithuisplaatsing combineren met opvoedingsondersteuning

Eén op de vijf gezinnen die gebruik maakten van Families First en één op de zes gezinnen die Intensieve Orthopedagogische Gezinsbegeleiding kregen, had na deze hulp toch nog extra hulp nodig in de vorm van een uithuisplaatsing. Professor Knorth (6) pleit ervoor om “het voorkómen van een uithuisplaatsing niet meer als expliciete doelstelling van intensieve thuisbehandeling op te nemen. Het wekt de indruk dat alleen wanneer een uithuisplaatsing van het kind voorkómen is, de doelstelling bereikt en dus de hulp geslaagd is.”

De scheiding tussen ambulante zorg en verblijfszorg, waaronder pleegzorg, moet opgeheven worden. Nu wordt er na de uithuisplaatsing van een kind, al dan niet na intensieve gezinsbegeleiding, vaak geen gezinsbegeleiding en opvoedingsondersteuning (meer) geboden. Het kind keert vervolgens terug naar huis, terwijl er niets aan de problemen daar en de opvoedingsvaardigheden van de ouders is veranderd. Dit verkleint de kans op een succesvolle terugkeer aanzienlijk. Deze discontinuïteit in de zorg moet bestreden worden. Ondersteun ouders ook wanneer hun kind tijdelijk niet bij hen woont. Zie verblijfszorg als een van de vormen van gezinsonder­steuning. Volgens Janssens is onderzoek naar de criteria voor uithuisplaatsing vereist. Het blijkt dat kinderen die tijdens of na intensieve gezinsbegeleiding toch nog uithuisgeplaatst werden, bij aanvang van die begeleiding al meer problemen hadden, dan kinderen die niet uithuisgeplaatst werden. Wellicht is in deze gevallen een eerdere uithuisplaatsing met gelijktijdige opvoedingsondersteuning van de ouders effectiever.

Tot slot de waarschuwing van Arjan Bolt, zelf schrijver van een boek over een van de methodieken (5), aan de aanwezige gezinswerkers. “Ze moeten zich niet gek laten maken door alle methodieken. Veel van hun werk is immers niet te vatten in protocollen. Wetenschappelijke onderzoeken zijn nuttig, maar eigen ervaring moet niet vergeten worden!”  •

(1)      Prof. Dr. Jan M.A.M. Janssens is hoogleraar opvoedings- en gezinsondersteuning aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is tevens directeur van het Onderwijsinstituut Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde van deze universiteit.
(2)         Intensieve Pedagogische Thuishulp, Wijkgerichte Intensieve Gezinsbegeleiding, Samen sterker Terug Op Pad, Ambulante Pedagogische Gezinsbegeleiding, Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling, Parent Management Training Oregon, Multisysteem Therapie, Life Space Crisis Intervention, Multidimensional Family Therapy en Positive Parenting Program.
(3)        Bij evidence based practice wordt gebruik gemaakt van het beste beschikbare bewijsmateriaal bij de keuze van de behandeling
(4)        Families First, Handleiding voor gezinsmedewerkers, Han Spanjaard en Marianne Haspels, Utrecht 2005
(5)        Het GEZIN centraal, Handboek voor ambulante hulpverleners, Arjan Bolt, Amsterdam 2006
(6)        Prof. Dr. E.J. Knorth is als hoogleraar Orthopedagogiek en hoofd van de Sectie Jeugdzorg verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.


Tags: ,