Achttien jaar, hoera of ojee?

Auteurs: M. Kerbusch en M.J.A. Feltzer  

Wanneer een kind achttien jaar wordt, is hij of zij wettelijk gezien meerderjarig. Voor kinderen die wonen in een pleeggezin, betekent dit over het algemeen dat de pleegzorgperiode afloopt, alsmede de betaling van de onkostenvergoeding. De Voorziening voor Pleegzorg (VvP) West-Brabant had de indruk dat dit moment voor pleegouders en pleegkinderen vaak wat te vroeg komt.

Om dit duidelijk te krijgen, werd samen met de Universiteit van Tilburg een onderzoek uitgevoerd. Hierin werd bekeken wat pleegouders en pleegkinderen vinden van de begeleiding vanuit de VvP en van de beëindiging hiervan.

Ook werd onderzocht hoe het een tijd na de beëindiging van de begeleiding met de jongeren ging. Voor het onderzoek werden jongeren geïnterviewd die in de periode 1999 – 2004 achttien jaar werden en op dat moment in een pleeggezin woonden dat begeleid werd door de VvP West-Brabant. Ook de pleegouders van de jongeren werden ondervraagd. In totaal werkten 27 pleeggezinnen en 19 pleegkinderen aan het onderzoek mee.

De pleegkinderen gaven door middel van een interview antwoord op vragen die betrekking hadden op de periode in het pleeggezin en hun situatie op dit moment, na afloop van de pleegzorgperiode. De pleegouders vulden een vragenlijst in die betrekking had op hun ervaringen tijdens de pleegzorgperiode.

Verbonden met pleeggezin

Een belangrijk aspect uit de onderzoeksresultaten is het feit dat de helft van de jongeren op het moment van het interview nog bij de pleegouders woont. De helft van de jongeren is na beëindiging van de pleegzorgperiode in het pleeggezin blijven wonen. Voor sommige jongeren is dit omdat zij nog niet zelfstandig genoeg warenom op zichzelf te gaan wonen. Andere jongeren hebben zo´n goede band met hun pleegouders opgebouwd, dat zij het pleeggezin als hun thuis beschouwen. Daarnaast zijn sommige jongeren in het pleeggezin blijven wonen om hun studie af te maken. Ook de jongeren die op dit moment niet meer bij hun pleegouders wonen, hebben vrijwel allemaal nog vaak contact met hun pleegouders.

Hieruit kan men concluderen dat de meeste jongeren zich verbonden voelen met hun pleegouders. Velen van hen geven namelijk aan in de loop der tijd een goede relatie met hun pleegouders te hebben opgebouwd. Ook de relaties binnen het pleeggezin ten tijde van het verblijf aldaar, worden door de meeste jongeren positief beoordeeld. Dit geldt voor de relaties met pleegvader en –moeder, maar ook voor de relaties met eventuele pleegbroers en/of –zussen en met de kinderen van pleegouders.

Hoe gaat het op dit moment met de jongeren, nu zij geen begeleiding meer krijgen vanuit de VvP? Het blijkt dat zowel de lichamelijke als de psychische gezondheid van de jongeren over het algemeen als goed kan worden omschreven. De meeste jongeren komen zelden bij de dokter, geven aan meestal wel gelukkig te zijn en te beschikken over een positieve zelfwaardering en redelijk goede sociale vaardigheden. Verdere ambulante of residentiële hulpverlening blijkt voor hen niet nodig.

Ook wat betreft de toekomst hebben de jongeren een positieve instelling. Velen van hen hebben duidelijke doelen waar zij op lange termijn naar streven en hebben er vertrouwen in deze doelen te bereiken. Het leven in de toekomst wordt door het overgrote deel van de jongeren dan ook als positief ingeschat. Toch blijkt een derde van de jongeren bang te zijn bij het nadenken over de toekomst.

De relatie met de pleegzorgwerker wordt door de helft van de jongeren als goed omschreven. Toch noemen veel van hen deze relatie oppervlakkig. Desondanks geven zij aan altijd bij de pleegzorgwerker terecht te kunnen. Wanneer zich bijvoorbeeld problemen voordeden, hielp de pleegzorgwerker hen met het oplossen hiervan. Wat betreft de beëindiging van de pleegzorgperiode op hun achttiende verjaardag, geeft een vijfde van de jongeren aan dat dit moment te vroeg kwam.

Behoefte aan nazorg

Hoe denken pleegouders hierover? Gekeken naar de ervaringen van pleegouders, blijkt dat ook zij de relatie met hun pleegkind over het algemeen als goed omschrijven.

Pleegouders geven aan, evenals de pleegkinderen, dat de meeste pleegkinderen na beëindiging van de begeleiding nog in het pleeggezin zijn blijven wonen. Daarnaast blijken veel jongeren nog niet zelfstandig genoeg om op zichzelf te gaan wonen of ze hebben daar de financiële mogelijkheden niet toe.

Over het algemeen is driekwart van de pleegouders tevreden met betrekking tot de pleegzorg. Het beëindigen van de begeleiding wordt daarentegen als minder positief beoordeeld. Een derde van de pleeggezinnen vindt namelijk dat de begeleiding vanuit de VvP te vroeg werd beëindigd. De gevolgen hiervan zijn onder andere dat pleegouders er zelf nog meer energie in moesten steken, problemen zelf moesten oplossen en dat de relatie tussen pleegkind en pleegouders verslechterde.

De onvrede is nog groter over de beëindiging van de financiële ondersteuning. Bijna de helft van de pleegouders vindt dat deze te vroeg stopt. Pleegouders komen ineens voor veel meer kosten te staan, omdat het merendeel van de jongeren op achttienjarige leeftijd nog niet financieel onafhankelijk is.

Een kwart van de pleegouders geeft daarnaast aan behoefte te hebben gehad aan nazorg. Een veelgenoemde vorm hiervan is voorlichting. Zo is er behoefte aan uitleg over de aanvraag van studiefinanciering en uitkeringen, over schoolkeuze, werken en zelfstandig wonen. Wat daarnaast gemist wordt, is een duidelijke afronding en een tijdig voorbereiden op de beëindiging. Een vorm van nazorg die verder veel genoemd wordt, is het voortzetten van de financiële ondersteuning.

Over het algemeen vinden dus vooral de pleegouders dat de begeleiding te vroeg eindigt. Toch zeggen ook veel jongeren dat dit moment vrij onverwacht komt. Ze weten wel dat de begeleiding stopt als zij achttien worden, maar zij worden slecht op dit moment voorbereid en weten niet precies wat dat voor hen in zal houden. Ook wijzen de jongeren erop dat zij wat betreft de financiële ondersteuning min of meer in het diepe worden gegooid. Bij problemen die zij ervaren bij de aanvraag van bijvoorbeeld studiefinanciering, missen zij voldoende ondersteuning vanuit de VvP. Deze studiefinanciering blijkt daarnaast nauwelijks voldoende om een studie van te bekostigen, waardoor aanvullende vergoeding gewenst is.

De pleegzorgwerker kan meer inspringen op de behoeften van de jongeren en hun pleegouders, door ze tijdig voor te bereiden op het moment dat de begeleiding en de financiële ondersteuning vanuit de VvP stopt. Dit kan door een algemeen tijdpad uit te zetten waarin is aangegeven wat er wanneer moet gebeuren tot het moment van beëindiging. Dit tijdpad kan ruimschoots van tevoren aan pleegouders en -kinderen worden voorgelegd. In één oogopslag is duidelijk wat er nog moet gebeuren.

Met de jongeren en de pleegouders kan doorgenomen worden wat de wensen en mogelijkheden zijn en hoe men dit kan realiseren. Iedereen weet op deze manier waar hij of zij aan toe is. Ook is het belangrijk dat er binnen de VvP voldoende kennis is over bijvoorbeeld het aanvragen van studiefinanciering, zodat men de pleegouders en -kinderen hierin goed kan ondersteunen.

Tevens kan men pleegouders en -kinderen een follow-up gesprek aanbieden, een aantal maanden na beëindiging van de pleegzorgperiode. Dit biedt de pleegouders en de jongeren de kans hun ervaringen met betrekking tot de pleegzorg te uiten, waarvan de VvP kan leren. Daarnaast kan de VvP zo bekijken hoe het na een aantal maanden gaat met de jongeren. Zo houdt men een vinger aan de pols en hebben de jongeren en hun pleegouders waarschijnlijk minder het idee er alleen voor te staan.

Wat betreft de financiële ondersteuning moet bekeken worden of er ruimte beschikbaar is om deze in bepaalde situaties langer voort te zetten. Waarschijnlijk is men hier afhankelijk van de geldelijke stromen vanuit de overheid en is er een grotere steekproef nodig om de overheid van dit belang te overtuigen.

Overheersend positief

Afgezien van de onvrede over de beëindiging van de pleegzorgbegeleiding bij een aantal pleegouders en -kinderen, kan de VvP West-Brabant tevreden zijn over de hulpverlening die de jongeren en hun pleegouders vanuit de VvP hebben ontvangen. De pleegkinderen blijken namelijk een goede relatie met hun pleegouders te hebben opgebouwd en voor veel van hen bestaat deze nog steeds. Ook konden pleegouders en pleegkinderen veelal met hun problemen bij de pleegzorgwerker terecht. Het samenvattende oordeel van zowel de pleeg­ouders als de -kinderen is overheersend positief.

De resultaten van het onderzoek dienen echter met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Een beperking is namelijk de relatief kleine steekproef. Jongeren die geen contact meer hadden met hun pleegouders, konden niet benaderd worden en vielen daardoor buiten het onderzoek. Een reden dat zij geen contact meer met hun pleegouders hebben, zou kunnen zijn dat zij slechte ervaringen met de pleegzorg hebben opgedaan of dat er tijdens de pleegzorgbegeleiding niet voldoende aandacht is besteed aan de situatie na het achttiende jaar. Daarnaast wilden jongeren en pleegouders voor wie het onderwerp te gevoelig of te confronterend was, vaak niet meewerken aan het onderzoek. Het is mogelijk dat het met deze jongeren minder goed gaat dan met de jongeren die wel meewerkten. Echter, dit onderzoek geeft een duidelijk signaal af en de VvP West-Brabant heeft de voorgestelde aan­bevelingen dan ook ter harte genomen. Het onderzoek heeft geleid tot meer bewustwording bij de pleegzorgwerkers bij het afsluiten van de hulpverlening.  •

Mw. M. Kerbusch studeerde van 2001 tot 2005 psychologie aan de Universiteit van Tilburg. In de periode 2004-2005 was zij stagiaire bij de VvP West-Brabant.
Dhr. M. Feltzer is als universitair docent en onderzoeksbegeleider verbonden aan het departement Kinder- en Jeugdpsychologie van de Universiteit van Tilburg


Tags: ,