Verstandelijk gehandicapte ouders: ontmoedigen of ondersteunen?

Auteur: Japke-Nynke de Vries  

In de afgelopen jaren is de vraag of mensen met een verstandelijke beperking bekwaam zijn tot ouderschap een veel besproken thema geweest. In de praktijk blijkt dat verstandelijk gehandicapte ouders veel zorgen oproepen. In mei 2005 zijn de uitkomsten vrijgegeven van het inventariserend onderzoek naar ouderschapscompetenties bij mensen met een verstandelijke beperking. In dit onderzoek zijn beschermende en risicovolle omstandigheden in kaart gebracht. Op verzoek van Mobiel heeft de onderzoekster hierover onderstaande samenvatting geschreven.

Het vraagstuk omtrent ouderschap van verstandelijk gehandicapten staat met enige regelmaat op de politieke agenda. In april 2004 informeerde staatssecretaris Ross (VWS) de Tweede Kamer dat bij verstandelijk gehandicapte ouders die niet in staat zijn om zelfstandig kinderen op te voeden, moet worden aangedrongen op anticonceptie. Tevens maakte zij bekend dat nader onderzoek was geboden om beleidsbeslissingen op dit gevoelige terrein goed te kunnen onderbouwen. Hiertoe is medio september 2004 tot en met april 2005 een inventariserend onderzoek naar ouderschapscompetenties uitgevoerd. In dit artikel zal het gepubliceerde rapport ‘Samenspel van factoren’ (1), waarin betreffende uitkomsten staan vermeld, worden besproken.

Aantallen

De hoofdvraag in het onderzoek was: ‘Zijn er in Nederland positieve voorbeelden van ouderschap bij mensen met een verstandelijke beperking te vinden en zo ja, welke factoren verklaren het ‘succes’?’
Uit het onderzoek komt naar voren dat het aantal verstandelijk gehandicapte ouders in Nederland niet erg groot is. In het onderzoek vonden wij circa 1500 gevallen van verstandelijk gehandicapte ouders. Op een totaal aantal van ongeveer 110.000 mensen met een verstandelijke handicap, zou dat aantal tussen de 0,5 en 1,0% liggen. Eén op de drie van deze ouderschappen wordt in het onderzoek gekwalificeerd als zijnde ‘goed genoeg’, dat wil zeggen:

•           dat er geen uithuisplaatsing plaatsvindt
•           er geen bemoeienis is van de Raad voor Kinderbescherming en
•           er geen aanwijzingen zijn voor verwaarlozing en mishandeling

In ongeveer 55% van deze ouderschappen schiet de opvoeding ‘tekort’ en zijn de kinderen veelal uithuis geplaatst. Gebleken is dat ouderschap bij verstandelijk gehandicapten vrijwel uitsluitend voorkomt bij mensen met een licht verstandelijke beperking.

Samenspel van factoren

In het onderzoek hebben wij ouders en hulpverleners geïnterviewd en hebben vervolgens in kaart gebracht welke factoren ouderschap doen slagen of mislukken. De uiteindelijke kwalificatie van ouderschap wordt echter niet bepaald door één of enkele factoren, maar door een intrigerend samenspel van beschermende én risicofactoren. Dit integrale samenspel van beschermende factoren en risicofactoren, ofwel de balans tussen draagkracht en draaglast, is gelegen op drie verschillende niveaus.

1. Microniveau: ouders en kinderen
Het accepteren van ondersteuning en de bereidheid om ondersteuning te verlangen blijken veel voorkomende beschermende factoren op het niveau van de individuele ouders en kinderen. Het niet accepteren van hulpverlening is in veel gevallen een gevolg van eerdere (slechte) ervaringen met hulpverleners. De bereidheid ondersteuning te vragen, hangt nauw samen met het vermogen van de ouders om te leren en zo adviezen in de praktijk te kunnen toepassen. De zwaarte van de handicap (met name IQ) is overigens in het onderzoek niet een doorslaggevende factor gebleken bij het bijdragen aan goed-genoeg ouderschap. Specifieke kenmerken van kinderen (zoals leeftijd, karakter en intelligentie) zijn op dit niveau wel van invloed op hoe de opvoeding verloopt.

2. Mesoniveau: sociale omgeving, hulpverlening en de rol van pleegouders
De aanwezigheid van een ondersteunend sociaal netwerk is de meest belangrijke beschermende factor. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat familie, vrienden en buren onmisbaar zijn in het ondersteunen van het ouderschap. In dit kader kunnen pleeggezinnen in beginsel een belangrijke rol en functie vervullen. In het onderzoek hebben wij een aantal gevallen gevonden, waarin een pleeggezin fungeerde als een hulpverleningsvariant. Dat houdt in dat betreffende verstandelijk gehandicapte ouders en pleegouders met elkaar hebben afgesproken dat, wanneer de opvoeding te belastend wordt, de pleegouders tijdelijk de taak van de ouders overnemen. De ouders krijgen vervolgens speciale begeleiding, waarbij eraan wordt gewerkt dat de kinderen op een gegeven moment weer terug kunnen naar de ouders. Deze hulpverleningsvariant gaat niet uit van het perspectief onverantwoord ouderschap, máár van onverantwoord opvoederschap. De betrokken ouders blijven dus ‘ouders’, zij het onder omstandigheden ‘ouders op afstand.’

Een andere belangrijke beschermende factor op mesoniveau is goede professionele ondersteuning. Continuïteit en beschikbaarheid van professionele ondersteuning draagt bij aan goed-genoeg ouderschap. Het ontbreken van sociale steun of het verkeren van ouder(s) in een isolement, zijn risicofactoren waardoor ouders vaak tekort schieten in de opvoeding van hun kinderen. Tengevolge van een toenemende budgettaire druk is de rol van de hulpverlening helaas steeds beperkter en lastiger geworden, hetgeen gevolgen heeft voor de praktische ondersteuning van verstandelijk gehandicapte ouders.

3. Macroniveau
Factoren op sociaal-economisch, cultureel, maatschappelijk en politiek vlak blijken direct of indirect van invloed op het functioneren van ouders met een verstandelijke handicap. Een belangrijk aspect is hier de maatschappelijke acceptatie van deze ouders. De sociaal-economische positie is in veel gevallen onvoldoende. Zowel hulpverleners als ouders gaven aan dat minder stigmatisering een belangrijke positieve factor zou kunnen zijn voor ouderschap. Dit niet alleen op het niveau van de straat en de buurt, maar óók in de pers en de media. Ouders verkeren bovendien vaak in een zwakkere sociaal-economische positie. Het ontbreken van financiële problemen is een belangrijke factor bij de totstandkoming van goed-genoeg ouderschap.

Ontmoedigen of ondersteunen?

De uitkomsten van het onderzoek geven aan dat ouderschap bij verstandelijk gehandicapten niet per definitie is gedoemd te mislukken. Opvoeden is een dynamisch proces van beschermende en risicofactoren tussen kind, ouder en de omgeving. Het voeren van een ontmoedigingsbeleid geeft geen uitvoering aan de ware aard van de problematiek omtrent ouderschap van verstandelijk gehandicapte ouders; het in onbalans raken van draagkracht en draaglast is immers niet alleen te wijten aan de verstandelijk gehandicapte zelf. Voorts vloeien uit het onderzoek geen direct aanwijsbare factoren voort die voorspellen wanneer ouderschap al dan niet ‘doorschiet’ naar onverantwoord ouderschap. Dit impliceert dat de beoordeling van verantwoord ouderschap per gezin afzonderlijk moet worden bepaald, waarbij moet worden ingezet op adequate ondersteuning op de verschillende niveaus.

Toekomstmuziek?

De overheid zou er goed aan doen goede zorg en betrokkenheid bij de doelgroep verstandelijk gehandicapte ouders te versterken. Dit betekent allereerst dat de professionele hulpverlening voldoende tijd en ruimte heeft om deze gezinnen op passende wijze en voldoende te kunnen begeleiden. Voorts zal gewerkt moeten worden aan een goed georganiseerde hulpverlening. Afstemming tussen de verschillende betrokken hulpverleners en/of instanties kan voorkomen dat er ‘gaten’ of overlappingen ontstaan in het benodigde zorgaanbod. Een casemanager zou daarbij een belangrijke taak kunnen vervullen als procesbegeleider van het hulpverleningsproces. De casemanager kan worden beschouwd als de bewaker van de ondersteuning, die zowel de belangen van de ouders als die van de kinderen behartigt. Zo kan worden voorkomen dat hulpverleners te veel verweven zijn in het gezinssysteem, hetgeen nadelig kan werken bij het duidelijk en eerlijk communiceren (en handelen) met deze bijzondere doelgroep.

Voor een pleeggezin als hulpverleningsvariant kan een casemanager als aanspreekpunt een belangrijke taak vervullen. Zo kan een casemanager samen met het pleeggezin en de verstandelijk gehandicapte ouders zoeken naar mogelijkheden om de opvoeding te versterken. Uit het onderzoek komt naar voren dat in een aantal gevallen pleegzorg als hulpverleningsvariant bijdraagt tot goed-genoeg opvoederschap. Het valt mijns inziens te betreuren dat door onvoldoende financiën voor ouderbegeleiding versterking van deze hulpverleningsvariant voorlopig niet meer tot de mogelijkheden behoort. De overheid heeft daarentegen wel de verantwoording er op toe te zien dat ondersteuning aan verstandelijk gehandicapte ouders kan worden uitgevoerd, om een beschermende en veilige situatie voor zowel de verstandelijk beperkte ouder(s) als het kind te creëren.  •

Japke-Nynke de Vries geeft regelmatig lezingen over dit onderwerp. Ze verricht momenteel onderzoek aan de RUG naar de afstemmingsproblematiek in de palliatieve zorg.

(1)        Voor meer achtergrondinformatie is het inventariserend onderzoek naar ouderschapscompetenties van mensen met een verstandelijke beperking te downloaden via de website van het ministerie van VWS (rapport: ‘Samenspel van factoren’).


Tags: , ,