Allochtone kinderen in Nederlandse pleeggezinnen

Auteurs: J. Conceicao en M.J. van Steenis  

Door de komst van verschillende allochtone groepen is Nederland veranderd in een multiculturele samenleving, waarin mensen met elkaar samen leven met verschillende culturele achtergronden. Deze verandering van de maatschappij naar een multiculturele samenleving dringt door in alle facetten van het dagelijks leven, dus ook in de hulpverlening. Ook in de pleegzorg heeft men de laatste jaren steeds meer te maken gekregen met pleegkinderen met een andere culturele achtergrond. Tot op heden is er weinig onderzoek verricht naar het welbevinden van allochtone pleegkinderen in Nederlandse pleeggezinnen. Dit ondanks de grote vraag in de praktijk naar meer duidelijkheid over de problematiek van deze specifieke doelgroep. Voor ons was dit de reden om hier onderzoek naar te doen. Het onderzoek is uitgevoerd onder supervisie van mevrouw Dr. A. M. Weterings, Universiteit Leiden, FSW afdeling Orthopedagogiek.

De vraag die het onderzoek beoogt te beantwoorden luidt als volgt: “Wat kan er gezegd worden over het welbevinden van allochtone pleegkinderen in Nederlandse pleeggezinnen en welke problemen ondervinden pleegouders bij de omgang met het pleegkind?”

Voor het verkrijgen van de onderzoeksgegevens is gebruik gemaakt van het Pedagogisch Signaleringsinstrumentarium voor ondersteuning, onderzoek en evaluatie (PSI-O).
De vragen- of signaleringslijsten van het PSI worden mondeling thuis afgenomen bij ouders of pleegouders. De verkregen informatie wordt beoordeeld en gewogen door een onafhankelijke beoordelaar (in dit onderzoek mevrouw Weterings), met het oog op de vraag: Zijn er problemen waarbij begeleiding nodig is?

Het PSI-O bestaat uit vijf signaleringslijsten, namelijk:
• Lijst met gegevens
• Lijst met aandachtsvelden voor het gedrag van het kind (LAGKO)
• Ontwikkeling van de relatie tussen de pleegouders en het kind
• Verloop van de oudercontacten
• Zorg in het dagelijks leven

Het PSI-O is afgenomen bij 17 pleeggezinnen met een allochtoon pleegkind. De leeftijd van de allochtone pleegkinderen varieerde van 1 tot 18 jaar, en er waren acht jongens en negen meisjes opgenomen in de onderzoeksgroep. Vijf van hen hadden geen verblijfsvergunning.

Resultaten

Bij lijst 2 (de LAGKO, het gedrag van het kind) werden slechts bij twee pleegkinderen problemen gesignaleerd en bij Signaleringslijst 5: Zorg in het dagelijks leven, werden bij een derde (5 van de 17) van de pleegkinderen problemen aangegeven. De meeste kinderen vertoonden weinig oppositioneel gedrag, waren ‘gezeglijk’, deden wat werd gevraagd en pasten zich aan.

Uit de onderzoeksresultaten van de derde signaleringslijst, Ontwikkeling van de relatie tussen de pleegouder en het pleegkind, blijken er bij een groot deel van de pleegkinderen (11 van de 17) problemen naar voren te komen. Problemen worden vooral aangegeven met betrekking tot het vele aandacht vragen en ‘claimend’ gedrag. Daarnaast vertelden de pleegouders dat de pleegkinderen zich weinig of op een niet-adequate manier uitten of moeilijk contact maakten. De pleegouders maken zich hier ook zorgen over.

Uit de lijst voor het verloop van de oudercontacten (zie lijst, 4) komt naar voren dat zeven pleegkinderen contact hadden met een van hun beide ouders, drie pleegkinderen hadden met hun beide ouders contact en zeven pleegkinderen hadden met geen van beide ouders contact. Als het kind geen contact had met zijn ouder, bleek hij dat veelal erg te vinden. Ook werd meegewogen dat het niet hebben van contact een probleem kan zijn vanuit de opvatting dat contact met de ouder goed kan zijn voor het kind in verband met zijn gevoel van eigenwaarde en zijn identiteitsontwikkeling. Begeleiding is dan nodig.

Als het kind wel contact had, verliep dit in alle gevallen moeizaam, ofwel omdat de ouder zich niet aan afspraken hield ofwel omdat de ouder niet goed wist hoe met het kind om te gaan. Daarbij was gebrek aan kennis van het Nederlands en de Nederlandse gewoonten bij de allochtone ouders een extra belemmering voor het goed laten verlopen van het bezoek.

Bij alle pleegkinderen gaven de oudercontacten dus problemen in bovengenoemde zin. Ook is gevraagd naar contacten met de naaste familie van het pleegkind. In 15 van de 17 gevallen is er geen of slechts incidenteel contact met de naaste familie.

Conclusie en aanbevelingen

Het meest opvallende resultaat is dat contacten met de ouder(s) voor alle pleegkinderen problemen gaven, ofwel omdat de ouder geen contact onderhield met het kind ofwel omdat het contact moeizaam verliep.

Het moeizaam verloop van de communicatie vanwege de taalbarrière was een van de redenen waardoor de contacten moeizaam waren. Het feit dat zich zoveel problemen voordeden bij ‘oudercontacten’ maakt het nodig dat hier in de hulpverlening specifieke aandacht aan besteed wordt. Mogelijke oplossingen hiervoor zijn onder meer het gebruik maken van een tolk of van een allochtone hulpverlener. Daarnaast is het van belang dat er wederzijds respect is bij de beide ouderparen. De kans op stress en conflicten wordt dan minder, wat het kind ten goede komt.

Bij de ontwikkeling van de relatie tussen het kind en de pleegouders was een veel gesignaleerd probleem, vooral aan het begin van de plaatsing, dat veel pleegkinderen die op jonge leeftijd kwamen, uitgesproken claimgedrag vertoonden.

Weterings, Bloemberg, Pruijs en Pool (1998) zeggen hierover het volgende: “Een pleegkind verkeert in een moeilijke situatie, omdat de meeste pleegkinderen lange tijd in een pedagogisch onrustige situatie hebben verkeerd. Het kind komt met een aantal tekorten in het pleeggezin. Het gedragspatroon van het kind is daardoor inadequaat geworden, wat zich kan uiten in claimend, dwingend en/of slecht gereguleerd gedrag”.

Bovenstaande gedragspatronen zijn in het onderzoek meerdere malen naar voren gekomen bij de pleegkinderen die op jonge leeftijd in het pleeggezin zijn gekomen. Zij wijzen op problemen met de gehechtheid.

Bestaanszekerheid

Een ander belangrijk probleem dat Nederlandse pleegouders kunnen ondervinden is dat sprake kan zijn van aangepast gedrag van hun pleegkind. Ook lijken allochtone pleegkinderen zich onveilig te kunnen voelen door het ontbreken van bestaanszekerheid, dat wil zeggen dat zij niet weten wie voor hen zal zorgen in de nabije en verre toekomst. Bij de plaatsing van een allochtoon pleegkind bij een Nederlands pleeggezin moet rekening gehouden worden met de culturele achtergrond van het kind, zonder hierbij de individuele kenmerken van het kind uit het oog te verliezen. Het is voor het pleegkind belangrijk dat zijn culturele achtergrond erkend en niet genegeerd wordt. Aan de andere kant is het voor de pleegouders belangrijk dat ook zij hun leven moeten kunnen blijven leven op een manier die voor hen prettig is. Om hier een goede balans in te vinden, is begeleiding nodig.
Het onderzoek moet gezien worden als een oriënterend vooronderzoek. Om het verkregen beeld verder aan te vullen en conclusies te kunnen trekken die in meer algemene zin gelden, is een grootschaliger onderzoek nodig.  •

Drs. Jenice Conceição en Drs. Marloes van Steenis studeerden in september 2005 af aan de Universiteit Leiden. Zij volgden de opleiding Orthopedagogiek, afstudeerrichting jeugdhulpverlening. Hun afstudeerscriptie ging over allochtone kinderen in Nederlandse pleeggezinnen.

(1)        Zie voor de theoretische onderbouwing van het PSI: A.M. Weterings & P.M. van den Bergh (2003): “Handleiding bij de LAGKO, Lijst met Aandachtsvelden voor het Gedrag van het Kind volgens zijn Ouder/opvoeder”. SWP, Amsterdam. De LAGKO is een van de lijsten van het PSI en ook afzonderlijk verkrijgbaar. Zie ook: de Handleiding bij het PSI.

(2)        Weterings, A.M., Bloemberg, W.A. Pruijs, H. & Pool, W. (1998). De ontwikkeling van kinderen in pleeggezinnen. Universiteit Leiden afdeling Orthopedagogiek.


Tags: ,